Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar het thans berust. De vrij uitvoerige tekst, deels in 't Sanskrit, deels in de landtaal opgesteld, is zeer slecht geschreven en hier en daar uitgewischt, zoodat het moeilijk zal wezen het geheel behoorlijk te ontcijferen. Het Sanskrit op de eerste zijde geeft de namen van vijf achtereenvolgende koningen, Udayadityavarman, Harsavarman, Jayavarman, Dharanïndravarman II, en vermeldt in 't kort de landerijen en dienaren toegewezen aan den dienst van de godheid van Lingapura. De Khmertekst op de tweede zijde begint met een aanroeping van £iva, waarop volgt het jaartal 1031 van een koninklijk bevelschrift. Er wordt gezegd dat de vijf zooeven genoemde vorsten, waarvan drie met hun posthumen naam worden genoemd, gronden en slaven geschonken hadden voor den eeredienst. In 1021 £. werd een Qiva-liriga opgericht door een Guru van Süryavarman II en in 1031 door den zelfden persoon een Visnu. Op de derde zijde leest men den naam van den god Campegvara (Krsna), doch de schenkingen waarvan gewag wordt gemaakt, zijn voor de godheid van Lingapura. Op de vierde zijde leest men wederom van schenkingen, o. a. aan Campegvara. Volgens Aymonier kan het heiligdom van Lingapura niet gelegen hebben ter plaatse waar de steenzuil ontdekt is, vermits hier geen spoor van een bouwwerk te vinden is. Een wetenswaardige bijzonderheid welke men uit de inscriptie leert kennen is dat de posthume naam van Harsavarman III was Sadagivapada; van Jayavarman VI Paramakaivalyapada; van Dharanïndravarman Paramaniskalapada. Deze namen zijn van 't zuiverste £ivaïetische karakter en duiden aan dat die vorsten de volkomen zaligheid, de verlossing bereikt hebben.

Als een Visnuïetische stichting doet zich kond de kleine ruïne van Kuk Pu. Op een alleenstaande zuil aanschouwt men gebeeldhouwde figuurtjes van Visnu en andere Indische goden en op de wanden overblijfselen van opschriften. Een hiervan vermeldt een schenking van slaven aan den god (^vetadvipa, waarmede Visnu bedoeld moet wezen, want in een ander opschrift heet het dat Koning Jayavarman III eene schenking deed ter eere van den god Pundarikaksa Qvetadvipa. In een derde opschrift is er sprake van een vorstelijk edikt, betrekking hebbende op een tempel van Campegvara. Van wijlen Koning Jayavarman wordt gezegd dat hij naar den Visnuloka, d.i. het verblijf van Visnu gegaan is, hetgeen te kennen geeft dat hij bij zijn leven een Visnuïet was. Onder de regeering van een zijner opvolgers, nl. Jayavarman V, werd in 900 £. een schenking gemaakt van landerijen en slaven aan den god Qvetadvipa.

De bouwvallen van Prasat Char bestaan uit drie torens binnen een gracht en hieromheen een omwalling. De pilasters der poorten zijn voorzien van beeldhouwwerk en de zijwanden van inscripties. De eene is een oorkonde

Sluiten