Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deJavaanscheBabads of kronieken wordt meermalen gewag gemaakt van betrekkingen die er in de Middeleeuwen bestonden tusschen Java en het koninkrijk Tjampa in Achter-Indië.

De bewoners van dit eenmaal machtige rijk, deTjams, behooren tot hetzelfde ras als de Javanen, Maleiers en de overige volken van Indonesië en hebben, behalve hun verwantschap, ook dit met de Javanen gemeen, dat zij eeuwen lang den invloed der Indische beschaving ondergaan hebben. Vandaar die treffende overeenkomst in de overblijfselen van bouw- en beeldhouwkunst, die zoowel in 't land der Tjams als op Java een onwraakbaar getuigenis afleggen van het scheppend vernuft en den door godsdienstijver bezielden kunstzin van de Indiërs.

Reeds in de 7de eeuw onzer jaartelling moet Tjampa een machtig rijk geweest zijn, want de Chineesche reiziger Hiuen Thsang, die in de eerste helft dier eeuw Voor-Indië bezocht, had daar gehoord van een rijk MahaCampa, d. i. Groot-Tjampa, welks grenzen wel niet nauwkeurig vastgesteld kunnen worden, maar dat toch zeker het tegenwoordige gebied van dien naam omvatte.

Nog in de 13de eeuw roemt Marco Polo de instellingen, de macht en den rijkdom van dien staat.

Van dien ouden luister is thans niets meer over. Zelfs de herinnering aan het tijdperk der Hindoe-beschaving hebben de Tjams verloren. Voor het meerendeel zijn zij thans Mohammedaansch; alleen de Tjams in Annam belijden een godsdienst van Indischen oorsprong; het is een £ivaïetisch brahmanisme overwoekerd door allerhande bijmengsels.

De taal hunner godsdienstige liederen en gebeden is vol van Sanskritwoorden, doch deze zijn zelfs voor de priesters een doode letter. Die priesters noodigen gaarne vreemdelingen uit om getuige te zijn van hun plechtigheden; van geheimhouding is bij hen geen sprake, maar zij zijn niet in staat een verklaring te geven van de bedoeling hunner ceremoniën. Voor hen, gelijk voor 't volk in 't algemeen, zijn de Hindoe-godheden der monumenten niets anders dan de beelden van oude koningen. De naam van C^iva, zoo dikwijls voorkomende in den aanhef hunner gebeden is hun vreemd. Naar alle waarschijnlijkheid zal de godsdienst der Tjams weldra zuiver ritueel zijn. Trouwens, elke godsdienst die zijn levenwekkende kracht verloren heeft, zal ontaarden en ten slotte niets meer zijn dan een samenstel van zuiver werktuigelijke en onbegrepen handelingen.

In zeker opzicht laat zich de huidige staat van 't Hindoeisme bij de

Sluiten