Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene uitholling in den vorm van een voet van reusachtige afmetingen. Het geheel is verlakt en verguld, de teenen zijn duidelijk aangegeven, de voetzool is voorzien van de kenmerken van een Groot Man ofBuddha. Vermoedelijk is ook het terrasvormig gebouw op den heuvel een Buddhistisch heiligdom geweest, hoewel Aymonier van een ander gevoelen is en zelfs de vraag opwerpt of de «voetafdruk van Buddha» oorspronkelijk niet een «£iva-voet» zou geweest zijn. Hoe het ook zij, uit de eenige inscriptie die men ter plaatse ontdekt heeft, uit het jaar 1283, blijkt dat het gebouw toen reeds voor den Buddhistischen eeredienst bestemd was.

Aan de Noordelijke uitloopers van den heuvel staat de toren van Baksei Tjangkrang. Het belangrijkste hiervan is eene lange Sanskrit-inscriptie, welke op de zijwanden der poort is aangebracht. Deze oorkonde noemt, na eene aanroeping van de voornaamste Indische goden en van Kambu, den stamvader der Kambodjanen, eene gansche reeks van vorsten, met roemrijke vermelding van hun vrome verdiensten; 't oprichten van Linga's en Brahmanistische godenbeelden. Van Yagovarman wordt gezegd dat hij den Yagodhara-vijver heeft laten graven. Hiermede is bedoeld het meer waarin 't eilandje met den vroeger beschreven tempel Me Bun ligt. Verder vernemen wij uit dezelfde inscriptie, die in 947 op bevel van Rajendravarman is opgesteld, dat deze koning op bedoeld eiland een Linga had laten oprichten en een ander in «Qiva's stad»; en dat de oorkonde zelve met de oprichting van een gouden standbeeld van C^iva in onmiddelijk verband staat.

Aan de Westzijde van Angkor Thom loopen westwaarts twee groote wegen, de eene uitgaande van de Westerpoort der stad, de andere van den zuidelijken buitensingel. Ze strekken zich, steeds evenwijdig loopende, een uur ver uit en gaan dan over in machtige dijken, waarvan de uiteinden door een dwarsdam verbonden zijn. Deze dijken omboorden een groote vierhoekige watervlakte, die naar 't Westen al dieper wordt, ter lengte van drieduizend en ter breedte van vijftienhonderd meter. Dicht bij den oostelijken oever van 't water ligt op gelijken afstand van beide evenwijdige wegen of dammen een eilandje met een monument, hetwelk evenals zijn wedergade in 't meer aan gene zijde der rivier den naam draagt van Me Bun. Het heiligdom, of wat het anders moge geweest zijn, bestaat uit een vierkant waterbekken, besloten binnen een ringmuur, die versierd is met portico's en torentjes. Een steenweg, de voortzetting van een anderen die oostwaarts zich uitstrekt tot waar 't water begint, gaat een eind het waterbekken in om zich in drieën te splitsen, zoodat het figuur van een Latijnsch kruis ontstaat. In de onderlaag van 't bouwwerk, dat men voor een belvedère houdt, heeft men een bas-relief ontdekt, waarop drie Visnu-beelden gebeiteld zijn.

Sluiten