Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ons correspondeerend medelid IJzerman eenigen tijd geleden te dezer plaatse mededeelingen deed omtrent de werkzaamheden der Jogjakartasche Vereeniging, vermeldde hij verschillende feiten die ons herinnerden aan de nauwe betrekkingen tusschen het £ivaïsme en het Buddhisme, of nauwkeuriger uitgedrukt, de Mahayanistische afdeeling der Buddhistische kerk. 1 Het bestaan dier betrekkingen was reeds lang bekend; vóór meer dan eene halve eeuw had Crawfurd in zijn boek over den Indischen Archipel de aandacht daarop gevestigd en daardoor een schrijven uitgelokt van den begaafden Brian Houghton Hodgson, destijds Engelsch gemachtigde in Nepal. Deze bestreed eenige door Crawfurd gegeven verklaringen in een opstel getiteld «On the extreme resemblance that prevails between many of the symbols of Buddhism and Saivism», welk stuk voor 't eerst verscheen in het «Oriental Quarterly Magazine» van 1827, en later meermalen herdrukt werd. 2 Het gevoelen van een man als Hodgson, die zich voor de studie van het Noordelijk Buddhisme, zoowel rechtstreeks als middellijk, eene onvergankelijke verdienste verworven heeft, en die daarenboven uitmunt door veelzijdige bekwaamheid, verdient ten volle eene nauwgezette overweging, al moge deze leiden tot de uitkomst dat hij wegens gebrek aan de noodige gegevens op een dwaalspoor is geraakt. Om het gevoelen van Hodgson te doen kennen, zullen wij zijne eigene woorden, voor zoover noodig, in vertaling laten volgen.

«Het doel van dit opstel», zoo is de aanhef van het bedoelde geschrift, «is, aan hen die gelegenheid en lust hebben ze uit te werken enkele aanduidingen te verstrekken aangaande de uitermate groote overeenkomst die er bestaat tusschen verscheidene symbolen van 't Buddhisme en 't £ivaïsme. Daar ik zelf eenige jaren in een Buddhistisch land gewoond heb, heeft het mij niet ontbroken aan de gelegenheid om deze overeenkomst op te merken, en de inzage van de werken van Crawfurd, van Raffles en van het Bombaysch Letterkundig Genootschap heeft mij overtuigd dat deze verrassende gelijkenis niet beperkt is tot het land mijner inwoning.»

«Toen ik in het land waar ik verblijf houd beelden, die oogenschijnlijk £ivaïetisch waren, geplaatst zag binnen de muren van Buddhistische tem-

1 Zie bijv. Versl. en Meded. 3de Reeks, IV (1887), 211.

' Het laatst in de verzamelde «Essays on the Languages, Literature, and Religion of Nepal and Tibet» (1874), p. 183 vgg. Onze aanhalingen hebben betrekking op dezeuitgave.

Sluiten