Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gave van den WelEerwaarden Heer R. Morris, p. 100. Verder weten wij dat er in den grooten bundel Jataka's, waarvan tot nog toe vier deelen door de zorg van Professor V. Fausböll verschenen zijn, twee Sutasoma-Jataka's voorkomen, een Groot- en een Klein-Sutasomajataka. Beiden moeten staan in liet nog niet uitgegeven gedeelte; ons is het bestaan, en min of meer de aard er van, slechts bekend uit eene aanhaling in de voorrede op de Jataka's, toegeschreven aan Buddhaghosa (bl. 40 in Prof. Fausböll's uitgave). Uit die aanhalingen blijkt dat met de legende in de Jataka-Mala en het Cariya-Pitaka overeenkomt het Maha-Sutasomajataka. Welke verschillen er ook in de bijzonderheden mogen bes.taan, het algemeene beloop van het verhaal moet hetzelfde wezen.

Het stuk in het Cariya-Pitaka is uitermate beknopt en klaarblijkelijk slechts een gebrekkig uittreksel, eene korte inhoudsopgave van het verhaal 1, en zou dan ook onverstaanbaar wezen, indien men het niet door vergelijking van het stuk in de Jataka-Mala kon aanvullen. De vertaling luidt, met weglating van eenige niets ter zake doende woordjes, als volgt:

«In den tijd toen ik Koning Sutasoma was, en gevangen werd door Purusada, herinnerde ik mij eene afspraak met een brahmaan.2 Nadat hij (d. i. Purusada) honderd Ksatriya's in handen had gekregen en bijeengebracht om ze te offeren, wilde hij ook mij ten offer brengen. Purusada vraagde mij: «waarom wilt gij dat ik u loslaat? Ik zal (echter) doen wat gij verlangt, indien gij bij mij terug wilt komen.» Na hem beloofd te hebben weder te zullen terug komen 3, begaf ik mij naar mijne schoone hoofdstad en deed daar afstand van de regeering. Indachtig aan den plicht der goeden, zooals

1 Het geheele prulwerk dat tliaas onder den titel van Cariya-Pitaka bekend staat, kan niet de redactie bevatten waarop in de Voorrede op de Jataka's gedoeld wordt. Want op bl. 47 wordt eene strofe aangehaald uit het Lomahamsaka-Jataka, die ook den aanhef uitmaakt van het Maha-Lomaliamsa-cariya (bij Morris p. 102), maar verder verwijst de schrijver der Voorrede naar de «uitvoerige» behandeling der stof in het CaiiyaPifaka. Nu is dit, laatste in den tegenwoordigen vorm zoo weinig uitvoerig, dat genoemd Jataka in vier strofen wordt afgehandeld en niets moer bevat dan hetgeen de schrijver der Voorrede in andere woorden in proza zegt. — Wat voor soort van werk ons CariyaPitaka is, kan o. a. ook daaruit blijken dat het Bhisa-cariya (bij Morris p. 95) eindigt waar de geschiedenis èn in Jataka No. 488 en in de Jataka-Mala eerst recht begint. Zelfs de titel zou uit het Cariya-Pitaka alleen onverklaarbaar wezen, want in het geheele stuk, niet meer dan 8 strofen bevattende, is er geen sprake van bisani (bhisani); de uitgever heeft dat bhisa, d. i. lotusstengel, voor een mansnaam aangezien.

8 De uitgever heeft niet geweten dat met Purisada (eig. de Menscheneter) een bepaald

persoon bedoeld was, en wel de zoon van Sudasa; in het Maha-Bharata en andere Indi¬

sche bronnen heet hij gewoonlijk Kalmasapada of Saudasa; zie o. a. 7, 65, 32, behalve de plaatsen aangehaald in 't Petersburgsche Woordenboek i. v. Kalmasapada. Evenmin heeft de uitgever begrepen dat sankaram sarim onzin is voor sangaram sarim.

5 Paiihe in den tekst is onzin; bedoeld is puno.

Sluiten