Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die door de Jina's vroeger betracht werd, gaf ik geld aan den brahmaan en begaf mij daarop weder tot Purusada. Ik voelde daarbij niet de minste aarzeling of hij mij zou dooden: ik ging mijn leven opofferen om mijn gegeven woord gestand te doen.»

Zooals men ziet, vertoont zich Sutasoma hier als een Indischen Albrecht Beiling. Volkomen datzelfde karakter draagt hij in de Jataka-Mala. Wij leeren hem uit dit werk kennen niet juist als een koning, maar als een prins — eene niet noemenswaardige afwijking; een prins die van jongs af zich met de borst toelegde op deugd, wetenschap en kunst. Vooral was hij een hartstochtelijk minnaar van schoone zedespreuken en zijn hartstocht hiervoor ging zóó ver, dat hij meermalen onmatige belooningen wegschonk aan de dichters van dergelijke verzen, iets hetgeen zijnen vader den Koning, die van meer prozaïschen en zuiniger aard was, bedenkelijk het hoofd deed schudden.

Eens dat Prins Sutasoma zich met gevolg in het park bij de stad vermeide, kwam daar een brahmaan en vermaard spreukdichter. De Prins ontving hem met zijn gewone minzaamheid en met al den eerbied dien men aan een brahmaan verschuldigd is; gaarne was hij bereid de dichtregelen te hooren, doch voordat nog de brahmaan aan 't woord had kunnen komen, ontstond er in het park eene geweldige opschudding, die de dames van de partij schrik en angst in het hart joeg. De prins, die geen oogenblik zijne bedaardheid verloor, vroeg: «wat is er gaande?» Met hevige ontsteltenis op het gelaat antwoordden de kamerheeren dat Kalmasapada, Sudasa's Zoon, de Menscheneter, in aantocht was na de troepen van den Prins op de vlucht gejaagd te hebben. «Wie is die zoon van Sudasa?» vroeg Sutasoma, hoewel hij het zeer wel wist. Tot antwoord ontving hij ongeveer het volgende bescheid. Zekere koning Sudasa had eens, terwijl hij op de jacht was, gemeenschap met eene leeuwin. De vrucht van die verbintenis was een knaapje, dat door de boschbewoners gevonden en aan genoemden koning gebracht werd. Deze, anders kinderloos, voedde het kind op en liet hem bij zijn overlijden het rijk achter. De zoon der leeuwin verloochende op den troon den bloeddorstigen aard zijner moeder niet: zijn liefste voedsel was menschenvleesch. Toen zijne onderdanen, het monster moede, zijn leven bedreigden, wendde hij zich in zijnen nood tot deBooze Geesten en beloofde hun een offer te brengen van honderd prinsen, indien zij hem uit zijn bangen nood redden. De Booze Geesten verhoorden zijne bede en de wreedaard maakte zich nu achtereenvolgens van 100 vorstenzonen meester. Thans was hij in aantocht om Sutasoma weg te voeren.

Onze Bodhisattva, wel verre van zich bij dit verhaal door vrees of afgrijzen te laten vermeesteren, gevoelde innig medelijden met den rampzaligen

11

Sluiten