Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden een gevoel van bewondering te koesteren. In die stemming was hij, toen de Bodhisattva hem naderde en toeriep:

«Ik heb eenen schat van schoone spreuken opgedaan en heb aan iemand die mijne mildheid behoefde geschonken wat hem toekwam; dat ik aan mijnen wensch heb kunnen voldoen, is aan u te danken. Nu ben ik weder hier; eet mij op of slacht mij als een offerdier, zooals gij verkiest.» Saudasa, in wiens hart reeds eenige verandering was gekomen, antwoordde: «Ik heb zoo'n haast niet en de brandstapel rookt nog te veel; het vleesch smaakt lekkerder als het op een niet rookend vuur gebraden is. Laat ons eens die schoone spreuken hooren.» «Wat hebt gij aan zulke spreuken? Die verzen bevatten eene opwekking tot deugd, en deugd gaat niet met ondeugd samen. > Doch Saudasa hield aan, en toen Sutasoma bespeurde dat zijne mannelijke taal al dieper en dieper indruk maakte, toen hij het gunstige oogenblik gekomen zag, droeg hij de vier spreuken van den brahmaan voor. De Menscheneter was over den inhoud zóó getroffen dat hij na de vierde spreuk uitriep: «Ik laat u de keuze om vier gunstbewijzen van mij te eischen; zeg mij wat gij van mij verlangt.» «Welaan», sprak de Bodhisattva, «zoo het u werkelijk ernst is, dan eisch ik: vervul trouw uwe plichten; laat de gewoonte om anderen kwaad te doen varen; laat al uwe gevangenen vrij; onthoud u voortaan van menschenvleesch.»

Den laatsten eisch in te willigen, viel Saudasa zeer zwaar; hij was op het punt zijn woord te breken, doch Sutasoma hield zich zóó kloek en sprak zóó overtuigend, dat Sudasa's zoon snikkende en met tranen hem te voeten viel, hem als heer en meester erkende, en alle eischen inwilligde. . Onmiddellijk na de bekeering van den Menscheneter, begaf Sutasoma zich met hem naar de gevangen Prinsen, die bij het zien van Sutasoma aanstonds begrepen dat het uur hunner verlossing geslagen had. Hunne harten gingen open bij den aanblik van Sutasoma, gelijk de waterleliën wanneer zij beschenen worden door de stralen van de maan. De Bodhisattva trad naar hen toe, richtte vriendelijke en troostrijke woorden tot hen en bevrijdde ze uit hun gevangenschap, doch niet dan nadat hij hun den eed had afgeeischt dat zij Saudasa geen haat zouden toedragen. Daarna trok hij, van den bekeerden zondaar en de vorstenzonen vergezeld, naar zijne hoofdstad, onthaalde ze naar behooren en zorgde daarna dat allen in hun heerschappij hersteld werden.

Alvorens tot de oud-Javaansche bewerking der legende over te gaan, willen wij opmerken dat de zakelijke inhoud van 't Maha-Sutasomajataka in het nog niet verschenen gedeelte van Prof. Fausböll's uitgave meer dan waarschijnlijk niet van de door £üra gevolgde redactie afwijkt. Wij mogen dat gerust aannemen op grond van het volgende feit. Van de 34 nommers

Sluiten