Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitstrekt dan tot den aanvang van het Buddhaschap en er dus bij geen mogelijkheid de geschiedenis der tweede verzoeking in kon voorkomen. — Ter loops zij opgemerkt, dat bij een naamsverklaring op blz. 81 noot, eene fout is ingeslopen. Het heet daar: «Nigrodharama, einige Zeilen weiter Gotama-nigrodha genannt, ist der Ruheplatz, spater das Kloster bei dem berühmten Nigrodha, Ficus Indica, unter dem Buddha die höchste Erkenntniss erlangte.» Niet onder een nyagrodha, maar onder een agvattha, Ficus religiosa, heeft de Buddha de Bodhi bereikt.

De drie volgende hoofdstukken behandelen een aantal kleine legenden uit afdeelingen van den Samyutta-nikaya, waarin verhaald wordt hoe Mara herhaaldelijk den Buddha, menigwerf ook monniken en nonnen, in verzoeking poogt te brengen. De geschiedenissen uit het Marasamyutta zijn het, die volgens W. de oudste type der Mara-legende vertegenwoordigen, zooals hij blz. 206 vgg. tracht te betoogen. In 't voorbijgaan zij opgemerkt dat in den Lalitavistara p. 226 voor gopanasïvaktro te lezen is °vakro, en niet "vanko, gelijk W. wil, want de Prakrtvorm vaiïka past niet in de prozataal van genoemd boek. Olubbha, steunende op, beantwoordt aan 't Skr. avalambya. Voorbeelden van verwisseling of verwarring van geaspireerde en niet-geaspireerde letters komen, gelijk men weet, in 't Pali meermalen voor. Men vindt naast elkaar veramba en verambha, kantaka en kanthaka; piya, 'roeispaan', is, zooals W. treffend opmerkt, ontstaan uit sphya. Of men voor die verwisseling de afschrijvers aansprakelijk mag stellen, is twijfelachtig. Een woord als bhisa — Skr. bisa, om van Vidhura, Skr. Vidura en bhisï = Skr. brsï niet te gewagen, komt te dikwijls voor dan dat wij aan afschrijversslordigheid mogen denken.

In Cap. VI weidt W. uit over «twee latere Marageschiedenissen»; de eerste is het Mara-tajjaniyasutta uit den Majjhima-nikaya; de tweede is Mara's bekeering door den kerkvader Upagupta, den tijdgenoot van Agoka, uit Divyavadana. Waarom dit laatste verhaal als van lateren datum te zijn beschouwd wordt, behoeft geen toelichting. Wat het eerste verhaal betreft, houdt W. het voor een betrekkelijk jong stuk van den Pali-kanon, hoofdzakelijk omdat er zooveel mythologische stof in voorkomt, o.a. wordt er gesproken van den Buddha Kakusandha. Wegens de juiste opmerking in noot 2, op blz. 151: «Solche Geschichten müssen schon wunderbar früh in den buddhistischen Kreisen entstanden sein», vermogen wij 't klemmende van 't betoog niet in te zien. Mara wordt daar voorgesteld als in 't lichaam van Mogallana gedrongen, maar door dezen ten monde uitgeworpen. Zulk eene voorstelling van den boozen geest is zoo echt animistisch, dat zij ons juist bijzonder oud en populair toeschijnt.

In Cap. VII, getiteld «Mara's oorsprong», treedt W. in eene beschouwing

Sluiten