Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de bekende theorieën van Senart en Oldenberg. Zijn gevoelen komt, in 't kort uitgedrukt, hierop neêr, dat Senart aan 't mythologisch bestanddeel in de levensgeschiedenis van den Buddha te veel, Oldenberg daarentegen niet genoeg plaats heeft ingeruimd. Zijn eigen standpunt ligt, alles te zamen genomen, dichter bij dat van laatstgenoemden geleerde dan bij dat van Senart. Verder tracht hij meer in bijzonderheden dan zijne beide voorgangers gedaan hebben, na te gaan hoe Mara met den Mrtyu der Brahmana s verwant is en tevens hoe hij als de verpersoonlijking van het booze, den dood en van den ganschen Samsara in 'tBuddhisme eene eigenaardige gedaante heeft aangenomen. Over de verschillende phasen van de ontwikkeling der Mara-legende wordt in Cap. VIII gesproken. Gelijk reeds met een enkel woord gezegd is, beschouwt W. de geschiedenissen van 't Marasamyutta als behoorende tot de oudste type; het Padhanasutta vertegenwoordigt een later tijdperk van ontwikkeling, het midden houdende tusschen de oudste legenden en het verhaal van Mara's kamp bij den Bodhi-boom, zooals die in de Nidanakatha der Jataka's, in den Lalitavistara en t Buddhacarita geschilderd wordt. Bij wijze van aanhangsel wordt in Cap. IX de vraag opgeworpen of de verzoekingsgeschiedenis der Evangeliën eene navolging mag heeten van de Mara-legende, hetgeen o.a. door Seydel beweerd is geworden. W. voert gronden aan, waarom de veronderstelling \an zulk eene ontleening of navolging op onvoldoende gegevens berust.

Hetgeen in Cap. X ter sprake gebracht wordt, nl. «de gebeurtenissen tusschen de Pabbajja en de Sambodhi, en Buddha's ontmoeting met Bimbisara» staat niet in onmiddellijk verband met de Mara-legende, maar moet vooral strekken om duidelijk te maken hoe er een toenemende neiging bestond om gebeurtenissen, die na de Sambodhi plaats gevonden hadden, te verplaatsen in het voorafgaande tijdperk. Dit onderwerp wordt in de volgende vijf hoofdstukken verder uitgewerkt. Vooreerst komt aan de beurt het verhaal van Bimbisara's ontmoeting met den Buddha, volgens Mahava£Sa 22, bij welke gelegenheid de Koning aan de Congregatie het park Veluvana schonk. Inderdaad maakt Bimbisara geen toespeling op eene vroegere ontmoeting. Daarentegen geven 't Pabbajjasutta, de Lalitavistara en t Buddhacarita eene beschrijving van Bimbisara's ontmoeting met den £akyatelg, kort nadat deze asceet geworden was. Na in drie hoofdstukken deze teksten behandeld en ook verwezen te hebben naar de parallelplaats in 't Mahavastu (later meêgedeeld in 't Aanhangsel), gaat W. in Cap. XV over tot een vergelijking der verschillende redacties der Bimbisara-geschiedenis. Van deze is het Pabbajjasutta de eenvoudigste en oudste, ofschoon geenszins de minst dichterlijke; dan volgt de Lalitavistara; ten slotte het

Sluiten