Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van, te plaatsen vóór den stam van 't voornaamwoord. Dus heeft men voor den 1 ps. veelv. incl. ne-da, doch voor den 1 ps. excl., welke geen eigen aanhechtselvorm bezit, ne-i-mami; in het twee- en drievoud hiervan zegt men ne-i-rau en nei-tou voor ne-i-keirau, ne-i-keitou. Intusschen laten zich deze vormen ook anders verklaren, en wel als samentrekkingen uit ne keimami, ne keirau, ne keitou, doch ook in dit geval heeft het achter ne staande element de waarde van een genitief'. De woordjes no, ne, ke en me zijn derhalve substantieven of worden althans als zoodanig geconstrueerd.

Wanneer de samengestelde bezitt. voornaamwoorden op een bepaalden bezitter wijzen, vereischen ze een bepalend lidwoord vóór zich. Bijv. nongku turanga zou, in 't Italiaansch overgezet, luiden «miosignore», maar «ïl mio signore», d. i. Engelsch «my lord», Nederl. «mijn heer», is a nongku turanga.

Omtrent het onderscheid tusschen no of ne — welke vrijelijk wisselen—, ke en me geeft Hazlewood eenige regels, die niet in alle opzichten bevredigend en gedeeltelijk zelfs averechtsch zijn. Volgens zijn Grammar(l 850),p. 19, zou ke beteekenen «iets om te eten», bijv. a kena uvi «zijn obi», in den zin van «de obi die bestemd is om door hem gegeten te worden». Doch p. 29 haalt hij als voorbeelden van 't gebruik van ke aan: a kena lalanga, deszelfs muren; a kena bai na were, de omheining des tuins; a kedra mate na kau, de boomen hun ziekte. Zulke voorbeelden kan men desverkiezende tot in 't oneindige vermeerderen uit de Bijbelvertaling. Men ziet dat ke niet juist «eten» is, en het komt dan ook niet met den zin van eten in de taal voor. Wat is het dan? M. i. het grondwoord van Mal. pak ei, gebruiken2, waartoe o. a. ook behoort Jav., Mal. kaya, have, goed, bezitting. Ke is hetgeen bezeten of gebruikt wordt, en de uitdrukkingen ke-ngku, ke-mu, ke-na enz. omschrijvingen, die hun wedergade vinden in 't Jav. kagungan, bijv.' kagungan sampeyan kareta «UEds rijtuig», eig. het rijtuig dat UE. bezit». Op soortgelijke wijze bedient het Sumbasch zich van tangu of tanggu nyomu, de of 't dijne; dijn; tangu (tanggu) nyona, de of't zijne (hare), waarin tangu (tanggu) «bezit» of «iets ten gebruike» te kennen geeft, van denzelfden stam als mingu, hebben; pangangu, voedsel. In denzelfden trant kunnen ook Mak. en Bug. samengestelde possessiefvoornaamwoorden vormen, met behulp van anu; bijv. anu-ngku, Bug.

1 Ten gunste dezer laatste verklaring zou men ook kunnen aanvoeren dat geen noimami, no-irau, no-itau voorkomt.

- Nog Sang. kaï «er is», dat zelfs in de teksten gebruikt wordt als koppelwoord «is»

™„lï° ' *ehalV6 het Uit het Jav' overgenomen kagungan ook in be-

p ' Ide gevallen gaduh bezigt; zie Oosting, Soend. Gramm. (1884), § 268, vgg.

Sluiten