Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebarsten; kaJamusu, «zerbrochen»; kaJasei, gesplitst, gekloven. Wegens den aard der F. d is het niet licht te beslissen, met welk Indon. voorvoegsel dit (Ja gelijk te stellen is. Mogelijk is het te vereenzelvigen met Biig. tja, dat synoniem is met ta, doch het kan even goed, zoo niet beter, een sterkere uitspraak zijn van Jav. djë, bijv. in djëbol, uiteengescheurd, uiteengeraakt; kadjëbol, uitgebroken; van bol, bres, gat; waarvan ambobol, doorbreken; djëblug, gebarsten; djëblag, wijd open; djëbur, in 't water gesprongen; doch kadjëbur, in 't water gevallen. Deze en' soortgelijke Jav. woorden mogen des te meer op de met de uit het F. aangehaalde vergeleken worden, omdat kadjëbol, kadjëbur en dgl. geheel met 1-. ka'Jabola, katfabote, kaJasei, overeenstemmen.

Eindelijk het F. ra, dat als synoniem van ta en ka geldt; bijv. ra-musu, gebroken; ra-ngutu, afgesneden. In beide voorbeelden staat het stamwoord in den actiefvorm, doch hetzelfde is het geval, zooals gebleken is, bij kamusu. In Indonesië is dit ra vertegenwoordigd door 't Niassche la, hetwelk geheel of nagenoeg synoniem is met pref. to, Dairisch tër, enz.' en passieve verbaaladjectieven vormt, bijv. la-fatö, gebroken wordende of breekbaar, terwijl mamatö het actief duratief «breken, uitdrukt; latunu, aangestoken wordende of aan testeken, doch m anu nu, aansteken 1. Wegens de lichtheid, waarmede in één en dezelfde taal meermalen l en r wisselen, mag men dit Ni. la met F. ra gelijkstellen, te meer omdat in 't Ni. zelve de 3 p. mv. van 't pers. voornw. «zij» ira luidt, maar als logisch agens van een passief2 la3; dus la-ohe, door hen wordt het gebracht. Voorzeker is het mogelijk dat dit la ontstaan is uit een nda = n + ra,

of iets dergelijks, maar de verwisseling van een / blijft er toch niet te minder om bestaan.

Van anderen aard dan de boven behandelde voorvoegsels zijn dezulke welke nog niet alle zelfstandigheid hebben afgelegd en deels nog als afzonderlijke woorden in gebruik zijn. De afleidingen die met behulp daar-

'In de schier onbruikbare «Formenlehre der Niassischen Sprache» van den Heer Sundermann (Tydschr. Bat. Gen. XXVIII, 1883, p. 115, en 126) worden deze vormen met voorvoegsel la infinitieven van 't passief geheeten; doch eigenlijk gezegde infinitieven zoowel passieve als actieve, bestaan niet in 't M. P. '

2 Het zoogenaamde subjectief passief van T. Roorda, het eerste passief van v d Tuuk; zie o. a. Tob. Spr. (1867), § 102.

H<3er S,UndeTnn (t' a' P"' bIZ' 13°' 138) t00nt' niet eens te bevroeden dat Nias. vormen a s u-o e, ma-ohe, la-ohe, enz. subjectief-passieven zijn; hij waant dat u'andro kefe bet. «ich bitte (um) Geld», doch mangandrö ndra'o, 'ich bete»-

ZTgin4ra; fZ0U ,h®eten l<lch nahe»> doch u-tagu mbaru «ich nahe eine (NB)

Ïat \ fT ' J V°l8lagen °nbekend 13 met de aI1^eerste beginselen van 't

wordt ÏÏ 1 Ï WG T rtagU mbaiU n°0it andera kaQ beteekenen dan «door mij wordt het baadje genaaid, ik naai het baadje».

Sluiten