Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wor. Ook vóór andere aanhechtsels komt eene oorspronkelijke r terug, bijv. in dauraka, zeggen, stam öaur =: Sund. sa-ur, zeggen. Verder is r eene wijziging van bepaalde sluitmedeklinkers; dit blijkt duidelijk uit Javur-aka, van davu, Day. djawut, enz., waarvan ook Javut-a. Zulk een verloop van t tot r — na waarschijnlijk vooraf tot d verzacht te zijn geworden — is niets zeldzaams. Uit het Bug. is reeds djari, van een oud d j a h a t; 1 u p p ër i van 1 u p p ë uit 1 u m p ë t, aangehaald. In 't Mig. is het zelfs een vaste regel dat elke oude t— die in 't Mig. aan 't woordeinde gelingualiseerd wordt tot tra — vóór suffixen, met klinker beginnende, r wordt, tenzij in het stamwoord reeds eene r gehoord wordt1; dus zaïrinS, genaaid, van zaït r a, Jav. djahit; ampitahurina, bang gemaakt, van t a h u t r &, Mal., O. J. enz. t a k u t. Wat nu de aanleiding heeft gegeven dat van d j a w u t in t F. zoowel ö a v u t- a als (Javur-aka gevormd is geworden, ligt in t duister; denkelijk staat de onderlinge afwijking in verband met het verschil in klemtoon: Javüta heeft het accent vóór den sluiter, (ïavuraka daarachter. Een soortgelijk verschil openbaart zich bij kaut-a en veikauyaki, hoewel in dromuda en vakadromuya de klemtoon op dezelfde lettergreep, altoos in de hedendaagsche uitspraak, rust.

Het ontbreekt niet aan woorden waarin r geen andere beteekenis schijnt te hebben dan die van een klinkerscheider te zijn. Aldus kotora, liggen op, of vakotora, leggen, van koto, liggen. Koto is identisch met Tond. koto, liggen, doch dit, zonder meer, stelt ons niet in staat met gewisheid uit te maken of het woord oorspronkelijk geen sluiter, meer bepaald een ' of h had 2. Zonder de mogelijkheid eener zuiver phonetische r te ontkennen, geloof ik dat het raadzaam is, dien klank niet dan in de uiterste noodzakelijkheid als middel ter vermijding van hiaat te erkennen.

Het Bug., dat anders grillig genoeg met de eindmedeklinkers der stammen vóór aanhechtsels omspringt, moet ons tot omzichtigheid aansporen. Schijnbaar vindt men in 't Bug. sikurëng, met den elleboog wrijven langs, zulk eene phonetische r\ want elleboog luidt Mal. enz. siku. Edoch het Jav. heeft wel degelijk een siku t; hetzij dit siku t zich ontwikkeld heeft uit een sikud, op meer Mal. dan echt Jav. wijze 3, of t een toevoegsel is, gelijk in Ibn. agit vooragi, O. Jav. ari, Bat. anggi, in beide gevallen is 't Bug. sikurëng licht te verklaren zonder dat men de toevlucht behoeft te nemen tot de veronderstelling dat hier eene r eenvoudig ingelast is. Aan den an-

1 Marre, Gramm. Malgache (1876), § 182. Deze regel van 't Mig. is eene eigenaardige uiting van do zucht tot klankafwisseling, waarvan boven gewaagd werd.

2 Ik vermoed dat to het O. J. tor is, waarvan tinor, omvergeworpen (van boomen bijv.)

3 Vgl. Jav. bijvorm dangët met Mal. dangar, en omgekeerd O. J., Bent. wukir, Bis. bukid: met Mal. bukit.

Sluiten