Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiger uit en wel door twee werkwoorden, waarvan 't eene 't andere aanvult, naast elkander te plaatsen. Zoo ook 't F. Om te zeggen «wegsnijden» of «wegkappen» moet het zich bedienen van een woord dat «kappen» beteekent, gevolgd van een ander waarin het begrip van «wegwerpen» ligt; dus taya-biuta; om te zeggen «doodslaan», verbindt men mokuta, slaan, en vakamatea, dooden; dus mokuta-vakamatea. In 't passief gebruikt men de stamvormen; «hij werd doodgeslagen» is samoku-mate kokoya'.

De bijwoorden van wijze en graad staan in 't F. en Pol. achter 't adjectief of werkwoord waarbij ze behooren; dus e (Ja vakalevu, is zeer slecht; sa lako vakusakusa, ging haastig. Zoo ook het dikwijls voorkomende oti, geheel en al, (O.J. hënti.N.J. ëntek) en het synonieme rawa, Mao. rawa, geheel en al, volstrekt; F. sa (Jaka rawa, is afgedaan; Mao. mate rawarawa te tamaiti nei, dit kind is al dood; e kore rawa ahau e haere, ik ga volstrekt niet; Sam. ou te a 1 u 1 awa, ik ga toch. Nagenoeg dezelfde beteekenis heeft F. sara, heel, zeer; Sam. sala, al door (vgl. woordenlijst).

De ontkenning, F. tawa, — welke echter meer met ons «on-» dan met «niet» overeenkomt, — staat vóór 't adjectief of een werkwoordelijken vorm. Zoo ook Sam. Ie. Het verbiedende Mao. aua, kaua, Sam. aua «ne«, staat uit den aard der zaak aan 't begin van den volzin: aua (of kaua) koe e haere! ga niet! Mao. kore, kahore, niet, kan voorafgegaan worden door e, dat vroeger reeds ter sprake is gekomen :ekore(ofkahore)au e kaha te haere, ik ben niet in staat te gaan. Het opmerkelijkste van dit kore is, dat het, eenigszins op de wijze van ons «-loos» 't laatste lid van eene samenkoppeling kan uitmaken. Bijv. van rawa, have, eigendom, r&wa-kóre, haveloos, arm.

Kahore beteekent eigenlijk «er niet zijn»; kahore aku rawa, ik heb geen goederen, mihi non sunt bona. Dezelfde beteekenis heeft F. senga, bijv. sa senga edua, er is niemand; sasenganatamata, er is geen man. Wanneer het als eenvoudige ontkenning gebezigd wordt — eene verzwakking van de beteekenis geen, niets, zooals met ons eigen niet het geval is — dan wordt de constructie anders. Bijv. Matth. 12, 13: ni ra sa raida ka senga ni rai^a; a ra sa rongotJa ka senga ni rongo^a, ka ledava; d. i. «daar zij zien en niet zien; en hooren en niet hooren, noch verstaan». Joh. 8, 10; Ia ni sa tu <5ake ko Jisu, ka senga ni rai^a e dua, na yalewa duaduanga, sa kaya vua, «En als Jezus oprees en niemand zag, behalve de vrouw, zeide hij tot haar». Dezelfde constructie heeft het verbiedende

1 Ygl. Aanteek. op mijne uitgave van den Wrttasancaya (1875), bl. 113. Voor 't Ibn., zie de Cuevas, Arte (2e dr. 1854), p. 387.

Sluiten