Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pamp. tunggaltunggal, één voor één. Mogelijk dus dui verkort uit d ua - i, doch het kan ook Jav. tu n g g i 1 zijn.

2. Dua, been (gewestelijk voor Sui, z. d.). Bat., O. J. (naast t a h u 1 a), Bis., Ponos., Mong. t u 1 an, Mig. taolana, Mal., Ibn., N! J., Day. tu 1 an g.

Dule of tule, oorsmeer; doch «doof» in dalinga-tule. Tag. tutuli, Bis. a t u 1 i, oorsmeer; Mal., Jav. t u 1 i, Mao. p o t u r i, doof. In 't Sang. beteekenttuli, Mak. en Bug. toli, «oor».

ÜULU, in den oorlog de nederlaag lijden. Vgl. Jav. tël u n g, 't onderspit delven.

Duna, aal, paling. Menangkabausch, Sumb., Bima, Sassaksch tuna, N. J. tunang, aal, paling; Bat. tuna, groote worm; Ibn. tuna, soort waterhagedis.

1. DURU, knie. Mong. dulud, Ponos. lulur, Tag., Bis. tuhud, Ibn. tuad, Lamp. tuwot, Bat. tot, Sund. tuur, Mal. të 1 u t (voor tu 1 u t); met wijziging in de beginletter Tombul., Sea, Tond. k u r u r. Uit de onderlinge vergelijking dezer vormen mag men opmaken dat reeds de grondtaal minstens twee varianten van hetzelfde woord kende, nl. turud en tu'ud, behalve nog durud of durud; met anderewoorden, de twee soorten van trillers werden met elkaar verward; de h in Bis. en Tag. staat onregelmatig voor g. Zonderling is 't Mal. 1 u t u t, dat moeielijk te verklaren is. Mogelijk is het eene omzetting van t u 1 u t.

2. DURU, «the shorter posts of a house». Mal. turus, steunpilaar ; Jav. turus, staak, stek; Tag. tü 1 us, staak; Day. turus, toros, paal.

DUSI-a, aanwijzen; i-dusi, wijsvinger. Dit schijnt min of meer verwant met Jav. tuding en tuduh, Mal. tuding, en is geheel identisch met Sam. T u s i (z. d.); vgl. Tusanaka en Tusi.

Duva of tuva, zekere plant die gebezigd wordt om de visschen te bedwelmen. Sund., Mak. tuwa, Day. tuwa, Mal., Jav., Ibn., Bis. tuba. Duva, visschen bedwelmen; Sund. nuwa, Ibn. manuba, Day. manuwa, Jav. nuba; enz.

J.

*óa, slecht, boosheid ; <)'ata, slecht vinden, haten. Mal. djahat, Mong. moraat, moyaat, Ponos. mohaat, O.J. rahat, karahatan, bezeerd, Sund. rah ö t, wond,Bis. ddo t, Bikol rao t, slecht; kar a tan, slechtheid; Errom. sat, Aneit. h as, Bug. d j a, Saleier daa, Alor d a t ë.

(?abe, opklimmen ; d'abeta, beklimmen, bestijgen ; verwant met Kaba (z. d.). Verder af staat O. en N. J. rambat, ngrambati, beklauteren.

(ïabora, offeren. In vorm te vergelijken met Jav. sawu r, strooisel, geld dat te grabbel gestrooid wordt; maar in beteekenis met het naverwante O. J. tawur, N. J. patawur, offer,

Sluiten