Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoowel in 't Malag., als in 't Javaansch en de talen der Stille Zuidzee vereischen plaatsnamen een Locatief-voorzetsel vóór zich; een eigenaardigheid waarop ook Codrington in zijn meermalen aangehaald werk de opmerkzaamheid vestigt1. Menig eiland vertoont op de kaart een naam waar 't voorzetsel een deel van uitmaakt: Araga, Ambrym, Aoba; Efate is «te Fate». Aneityum zeifis eigenlijk a Neityum. Inde «Dictionary» geeft Inglis onder RA als voorbeeld: Inpece ra neityum, all the island of Aneityum». De voor de hand liggende gevolgtrekking dat wijl de naam van 't eiland Neityum is, a, niet an, het plaatsaanduidend voorzetsel is, heeft hij niet gemaakt.

A wordt niet gebezigd bij een meervoud, noch bij een persoons- of verwantschapsnaam ; ook kan het niet verbonden worden met een possessiefaanhechtsel. In al deze gevallen wordt het vervangen door ira meteen volgenden Genitief, welke naar gelang van omstandigheden door / of een possessiefsuffix wordt aangeduid. De volgende voorbeelden zullen voldoende zijn om dit duidelijk te maken. An'adiatatumopisethi, eens op een sabbathdag.Luk. 14,1; a'nridjai o-un, in het Oosten; eris ahes a'nridjai o-un a ilpu atimi arapakau, uit hetOosten kwamen wijze mannen, Matth. 2, 1, vg. Maar is arahed a'n pege Galili asenga a Jesu, urn asenge ira i eom alaingaheni ura, Jezus ging geheel Galilea rond en predikte in hunne synagogen, Matth. 4,23; ahes ira i Ebraham, sedert, (uitgaan van) Abraham, 1,17; ira i hat iji eingki, van (Abl.)dezesteenen! 3,9; uhpu agaldei n'aui gai asenga et eti upene n'asau iran, elke boom waaraan geen goede vrucht is zal uitgehouwen worden, 10; eris um algapdigraing n uarin n'eom ijinies ara, is amen iran aien, um atise n'itai ahled ineing, is asjeugiran n'atimi emehe, en zij braken het dak op van het huis, waar hij vertoefde, en lieten het bed neder, waarop de zieke lag, Mk. 2, 4. Irak, in, aan, van mij (Abl., ook na Comparatieven), iram, iran, irama, irara, enz. staan dikwijls als onmiddellijk voorwerp bij werkwoorden; bijv. bij baptiso, doopen. Dit herinnert aan 't gebruik van a in t Spaansch, wanneer 't object een persoon is.

A is een echt voorzetsel, regeert, om zoo te zeggen, den Accusatief; ira daarentegen is een substantief, bestaande uit het voorzetsel i, in de oude beteekenis van «te» en ra, dat blijkbaar dezelfde beteekenis heeft als 't Mal. pada, hetwelk slechts een afleiding is van den wortel da = A. ra. In Erom. is ra gebruikelijk als echt voorzetsel, met dezelfde beteekenissen als a in 't A.: «te, in, aan, op»; bijv. ra Betlehem ra Yudia, ra'n dan su eni Herod, te B. in J. in de dagen van Herodes; ra sai n'ëmpuo, opdenberg. Doch vóór possessiefaanhechtsels irang, iram, iran, enz., dat evenals in

1 O. o. p. 162.

Sluiten