Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Mal. b ër wezen; doch het kan ook voor a -j- nasaal staan, en dan is arid te vergelijken met Oj. angdiri, heerschen. Op een andere wijze heeft zich uit denzelfden stam ontwikkeld AlJI, z. d.

Arop, to seize. Variant van Arah, z.d.

arop a 'n jap, to splash; a 'n j ap is «in zee». Vgl. Mota rov, to sound like dashing water. Vgl. Oj. rwab, rob, t onstuimig zijn, wassen van den vloed.

arop-arop, slaperig; gesloten (van oogleden). Herinnert aanjav. arip, slaperig, doch de klinker is die van rëp in Jav. sirëp, slaapwekkende (tooverspreuk).

Aru, betalen, beloonen. Vgl. Motarusag, betalen; rusai, iemand beloonen ; 't eerste met suff. aki, het laatste met ani; de stam dus rus.

asaing of asan, zeggen, spreken. Esp. S. aso, rede. Van denzelfden stam is afgeleid tas, gezegde, woord, taal. De juiste vorm van den schijnbaar sa of asa luidenden stam laat zich niet vaststellen, doch het zal wel dezelfde stam zijn als Mota as, gezang; Malag. antsa, zingen.

Asenga, al. Hetzelfde woord als Makass. ngasen g, Fi. keiïenga, al, ieder, Maewo g a s e n g i, behoudens 't verschil van prefix, en Mota g e s e, al, behalve dat dit geen suffix heeft. In Merlav is ges, Motlav geh aanduider van 't mv.

ASNGEING, steunen op, zich op (iemand) verlaten, Jav. tanggën, steun, iemand op wien men zich verlaat. Sn gei veronderstelt een stam t ë n g g ë h of t ë n g g ë n. Verder verwant is Iban. t a n g n g a 1, ondersteunen.

ASNGI, hoeden, zorg dragen voor't vee. Vgl. Iban. tangngau, zorgen voor iemand of iets, voor 't vee of den akker; nog dichter staat wat den eindklinker betreft, Jav. tunggu, op iets passen, over iets toezicht houden; Oj. atunggu, de wacht houden.

AsjA; hiermede beginnen enkele werkwoorden, die een bijvorm, met ara beginnende, hebben. Dus asjapignaing = arapignaing, verzamelen. In andere geeft asja een «maken» te kennen ; bijv. asjaktit, vastmaken; asjamud, scheuren, breken, synoniem met avamud, breken. Aangezien in 't Fi. de prefixen raenda geheel of nagenoeg gelijkwaardig zijn, ligt het vermoeden voor de hand, dat bijv. sj a m u d beantwoordt aan damusu, maar ra in arapignaing = asjapignaing aan Fi. ra. In 't Bug. zijn de prefixen ta (tar) en tj a synoniem, en uiteen tj zou zich wel een sj kunnen ontwikkeld hebben. Moeielijkheid baart de omstandigheid dat in ettelijke gevallen asj vervangen kan worden door asu, aso; dus asuamud, asvamud, (den hals) omdraaien, klaarblijkelijk hetzelfde als asjamud, breken; asvadidi, to tear skin or bark, en asjadidi, to tear off; asuopleg, mv. isuoplegopleg, to bruise, to break in

Sluiten