Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Im, woordverbindend vgw. en Erom. Tm, m, Flor. ma, Rotuma ma, Wango mana, ma, Vaturanga, Bugotu, Duke of York ma. De talen der Banks-eilanden hebben w a, zonder twijfel uit m a.

Imhang, getakt. Uit pref. ma en hang, datöfTomb. pan ga, tak.; Oj. pang, Nj. pang, is, öf san ga, Tag., Bis. sanga, Sumb. kasanga,

(vgl. Fi. basanga), tak.

imhangro, cloven, divided in two. Het vorige met ro , twee.

1. Imi, aan, ten behoeve van. Erom. i m i, Mota i m e; uit i en m e, welk laatste zelden gebruikt wordt dan gevolgd door 't possessiefaanhechtsel, bijv. raera, met hen; Motlav mi.

2. Imi of Imyi, vormt causatieven. Z. blz. 190.

Imialeng, to shelter, as atreebyitsshade.Uit imi en aleng, uit alingan, van st. aling, Jav. aling, schutsel; angaling, zich verschuilen; a n g a 1 i n g i, beschutten, beschermen.

imlai, verdord, droef. Is niet = Fi. m a 1 a i, verdord, ingeval dit te vergelijken is metlban. mallay, verslappend, loof, Tomb. lailai, krachteloos; want imi ai kan alleen uit malayu ontstaan zijn; dus Mal., Oj. layu, verwelkt, verschroeid, en tevens «verslapt, flauw»; Iban. lay u, verwelkt, mallayu, verwelken, de fleur verliezen. Vgl. gai, boom, uitkayu.

Imraing, to morrow. Mota maran, ochtend, morgen, daglicht, het daagt. Ponape maran, Malag. m a r a i n a ; Oj. r a h i n a , fsj. r i n a.

IMRING, sullen, rough, coarse; imring imring, proud, angry. Oj. m a r ë n g u, norsch, stuursch, gefronsd, misnoegd; Nj. r ë n g u, misnoegd, verstoord.

Imtag, bevreesd. Mao. mataku, Sam. mataü, Flor. matagu, Salomonseilanden en N. Hebriden mataku, matagu, Mota matag, Ponape majak, Oj. matakut, Mal. takut, Malag. matahotra, enz. Imtagimtag, vreezen, Mota matagtag.

Imtaplan, dim-sighted; having sore eyes. Uit imta, d. i. mata, oog, en aplan, soft; doch aplan n'esgan imtan, dimsighted, blind. De vraag is of er niet twee verschillende woorden aplan zijn, en of a p 1 a n , van oogen gezegd, niet verwant is met Oj. apëday, gezwollen.

Imtate, slaperig. Bevat imta, oog; ate, misschien voor ateh, gesloten ; vgl. Athai.

Imtimlai, sad, as a sick person; grieved; ashamed. Uit mata en ïm-

1 a i, z. d.

Imtimtan, 't randje van iets. Een geredupliceerd mata en possessie aanhechtsel 3 p.s. enk. Vgl. Mal. mata in de bet. «punt van iets».

Imtitaing, voor iets vreezen. Erom. metetëngi. Van een stam die in 't Jav. luidt tin tang, synoniem van sëling, bijvorm van sëlang,

Sluiten