Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eli staat tot tëlën, enz. in dezelfde verhouding als Oj. hëlö (ëlö) of hëlëd, Nj. ëlëd, slikken.

Enihen, vischschubben. Mao. unahi, gewestelijk inahi, schubben; Sam. una, vischschub (unafi,wkw. schubben); Ponosak., Mongond. u n a p, Benten. o n o p, Sumb. u n a. In e n i h e is de e aan 't einde op te vatten als z in Mao. unahi, een mv. suffix, dat in de meeste verwante talen slechts bij werkwoorden een veelvuldigheid der handeling aanduidt.

Eom, huis. Bijvormen im, iyum; Erom. imo, enz. Zie Codrington o. c., p. 45.

Efan, zeil. Hetzelfde woord als 't foutieve ehpan, vleugel. Mota gapane. Elders geeft Inglis geen nipan, mast; eig. zeilhout; nl.GEE(z.d.), ni, van, en pan. Gelijk in zooveel andere woorden is de voorslag e, a eenigszins verdacht. In de bijbelvertaling leest men herhaaldelijk naprof e t a, doch zonder lidwoord p r o f e t a; het heeft dus al den schijn dat men na, den oorspronkelijken vorm van 't lidwoord, heeft misverstaan. Aan hetzelfde misverstand is toe te schrijven o. a. de opgave bij Inglis: N a h a r, the name of a fish like ling (p. 94), terwijl men op p. 115 leest: I n h a r, a fish like ling; wat op deze zelfde blz. heet I n h a d e, a sea slug, bêche de mer, wordt blz. 94 opgegeven als Nahede, the seaslug; bêche de mer. Hoewel ik van 't bestaan in dergelijke woorden van een voorslag niet zeker ben, zal ik ze opgeven, zooals ze zich bij Inglis vertoonen, na aftrek van de».

Epek of Ipek, hoofd; schedel. Oba q a t u g, Mota, Maewo, Merlav, Lakon qatu, Ambrym botu, Wango, Fagani ba'u, Ulawa, Nggao pa'u, enz. (zie Codrington p. 45). Jav. batuk, voorhoofd, eigenlijk hetzelfde woord als b a t o k, halve klapperdop, schaal; zoodat batuk oorspronkelijk niet «voorhoofd», maar evenals in de bovengenoemde talen «hersenschaal, kop» moet beteekend hebben. Een soortgelijken overgang van beteekenis vertoont Skr. kapala, 't Lat. testa in de Romaansche talen, en kop in Nederlandsch en Hoogduitsch.

Epi of ipuyi, reuk. Vgl. Fi. iboi, reuk; van boi, ruiken. Erom. impi (uit mevi), Mal. ba'u, Tag. bahu, Oj., Sund. ambö, Malag. vuo, enz. Fi. bona, Sesake qoa, stinken ; Mota pu n a, Jav. ambung. Vgl. De Fidji-taal (1886), blz. 129 [zie dezen herdruk, blz. 29 hiervóór],

EPING, nacht; in de bijbelvertaling Epeing. Oj., Nj., Tomb. wëngi, Fi. b o n g i, Sam., Mao p 5 (door den nacht overvallen: p o n g i a), Erom. pö en pu (voor pö) mrok (d.i. = Marshall-eil. marok, duister),Sesake, Api, Rotuma, Florida, bongi, Lakon qeng, Mota, Maewo, Motlav, enz. qon, Aniwa pongi; zie verder Codrington p. 47.

Eprij, a brown bird, of the size of a small fowl. Lijkt veel op Oj. pri t, rijstvogeltje; Nj. ëmprit, benaming van meer dan één soort kleine vogels.

Sluiten