Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weert Professor Lassen in zijne Ind. Alterth. III, 247, 301 en 46, dat beide Grieksche schrijvers dwalen, en dat zij in stede van eiland hadden moeten zeggen: schiereiland. Doch indien hij geweten had,1 dat Indische bronnen wel degelijk een Goudeiland kennen, zoude hij waarschijnlijk anders geoordeeld hebben. Eigenlijk is het, in de eerste plaats, volstrekt niet de vraag, of de twee Grieken feitelijk gelijk of ongelijk hadden, alleen maar of ze getrouw hebben oververteld wat ze gehoord hadden; met anderewoorden, of de vermeende dwaling aan eene vergissing van hen zeiven moet toegeschreven worden. Wel verre van dit laatste te veronderstellen, houden wij het er voor, dat hun inlichtingen op betrekkelijke juistheid aanspraak mogen maken, dat hun Goudeiland en het Suvarnadvïpa der Hindus één en hetzelfde is. Dit neemt niet weg, dat hun kennis van de oorden, wier naam ze goed opgeven, toch zeer gebrekkig is. Als Dionysius in dier voege de reis van zijn Goudeiland naar Ceilon beschrijft, dat men na om het zuidelijk voorgebergte van Chryse gevaren te zijn Ceilon bereikt, dan is het wel ondoenlijk te beslissen, wat dat voor een gebergte moet geweest zijn. Hij zegt:

Keïd-ev öè OTQStpd-els vorigs nnonuQOtda xohóv^g,

AÏipd xe Kiohaóog /-izyuhjv ènl vrjaov 'Ly.oio,

MyTEQct Tanooftavijv Aairflevèwv ilecpavriov.

In eene Latijnsche navolging van 't gedicht van Dionysius door Rufius Festus Avienus (4e eeuw na Chr.), vs. 767, vgg.2, vindt men wel een eenigzins wijdloopiger, maar nog onbegrijpelijker voorstelling:

inde fluenta Tenduntur Scythici longe in facis ortum Eoae, qua cyaneis erepit ab undis Insula, quod fulvo sol hic magis orbe rubescat.

Contemplator item qua se mare tendit in austrum,

Inque notum oceanus freta ponti caerula curvat:

Attaque Coliadis mox hic tibi dorsa patescent Rupis, et intenti spectabis cespitis arces.

Pro quibus ingenti consistens mole per undas Insula Taprobane gignit taetros elephantos.

Er wordt niet gezegd, waartusschen men zich die freta, zeeëngte, denken moet, die daarenboven nog dit eigenaardige heeft, dat ze voorschepen

1 Ia 1858, toen liet 3r,f Deel der Ind. Alterth. versohenen is, was de Kathasarit-sagara nog niet geheel in druk. — (Thans vergelijke men, behalve de goede Bombay-editie van 1903, ook de Eng. vertaling uit het Sanskrit door C. H. Tawney, Calcutta 1880, 84; Bibliotheca Indica. Noot van 1916.)

5 Uitgave van Holder, Innsbruck 1887. (Noot van 1916.)

Sluiten