Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zijn gasten maakten. In een hoekje van het rookerige vertrek zat Huibert Tjerkstra aan een tafeltje, waarop een kruik bier stond met twee glazen. Het eene behoorde aan Huib, het andere aan een jong matroos, een ouden kennis van Tjerkstra. Huib zag er niet opgewekt uit; hij liet z'n oogen droomerig door de gelagkamer dwalen en schudde al sprekende af en toe meewarig het hoofd.

„Neen maat, sprak hij, den ander treurig aanziende, „ze willen Huib Tjerkstra niet meer. Wat zouden ze ook met zoo'n mankpoot beginnen ? 'k Heb 't geprobeerd hoor, méér dan eens. Maar werkelijk, het gaat niet meer. Ik zie geen kans meer om de groote ra te bereiken zonder lift. Nee hoor, 't is uit met me."

„Kom kom," troostte de jonge zeeman, die Nardings heette. Kom, kom, misschien willen ze je nog wel als kok laten meevaren."

„Kok? Hahaha," lachte Huib bitter, „terwijl m'n maats in 't topje van den mast zitten en 't liedje van de zee zingen, zou Huib aan 't fornuis moeten staan om ratjetoe te koken ? Nóóit! Dan honderdmaalliever 'n baantje aan den wal en landrot worden."

Sluiten