Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Dalen, de knecht, hem de komst van Huibert Tjerkstra.

De Burgemeester was op 't oogenblik heelemaal in geen stemming, om over poppenkast-vertooningen te praten, en antwoordde onverschillig:

i, t Is goed. Laat hem maar even hier."

Huibert Tjerkstra trad binnen. Burgemeester sprak niet veel, vroeg alleen wat Huibert voor dien avond rekende en liet verder alles aan hem over.

»Ja," voegde hij er bij, „je zult wel denken, wat is de burgemeester onvriendelijk! Maar er is hier vannacht iets verschrikkelijks gebeurd; ik heb net zooveel plezier in feestvieren als een kip om gebraden te worden. Ik ben bestolen voor meer dan achttienduizend gulden, die hier veilig en wel in mijn brandkast geborgen waren."

Verrast keek Huibert op, en sloeg zijn hand reeds op den binnenzak, waar de dikke geldtasch zat.

„U, burgemeester?" vroeg hij, met groote oogen.

„Ja, waarom vraagje dat zoo? Weet jij somsiets?"

Bijna had Huibert „ja" geantwoord, maar een gedachte die plotseling in hem opkwam, deed hem dit woord zwijgen.

Sluiten