Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daar kunnen we den hond in naar mijn huis rijden."

„Krijg ik dan dien stuiver ?"

„Op je oogen."

„Dan doe ik het niet."

Loe weifelde. Den hond heel den langen weg op een matje voort te slepen, was voor hem ook geen pretje en voor 't beest evenmin. Japie zou 'm wel lekker alleen laten sjouwen, als hij toch niets van den stuiver kreeg.

„'k Zal je twee centen geven," zei Loe.

„Nee, da's niet eerlijk. Ik moet voor jou heelemaal naar huis loopen en dan met den rolwagen weer hierheen. Al die moeite doe ik niet voor twee centen."

„Drie centen dan," hield Loe vol.

„Ook niet. Jij krijgt den hond, ik de vijf centen. Drie centen vooruit en als 'k den wagen gehaald heb, de andere twee."

Loe berekende, dat zoo'n mooie hond èn al de moeite van Japie wel vijf centen waard waren, en gaf ten slotte toe. Hij gaf Japie drie centen, waarop deze als een pijl uit den boog naar het dorp vloog.

Sluiten