Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl mijnheer Laurie uitlegde hoe hij het beleggen wilde, klonk buiten een vroolijke slem:

O! Jans die was zoo'n lieve meid;

Hallé — hallo — hallé!

Was Janmaat t'huis, dan was ze blijd —

Hallé — hallo — hallé!

En voer hü op de woeste zee,

Dan trok haar hartje met hem meê —

Hallé — hallo — hallé!

Emil kondigde altijd op deze wijze zijn nadering aan, en een oogenblik later kwam hij binnenstormen met Nat, die den geheelen dag in de stad muzieklessen had gegeven. Het was prettig te zien, hoe vergenoegd Nat zijn vriend stond toe te knikken, terwijl hij bijna zijn arm uit hel lid schudde; prettiger nog, dat Dan zich dat dankbaar herinnerde, wat hij aan Nat te danken had, en op zijn ruwe manier beproefde zijn schuld aan hem af te doen; maar het prettigst van alles om de twee reizigers te hooren wedijveren, wie, tot verbazing der landkrabben en thuisblijvers, de wonderlijkste verhalen kon opdisschen.

Na deze vermeerdering van gezelschap werd het huis te eng voor de luidruchtige jeugd, die naar de veranda verhuisde en neerstreek als een vlucht nachtvogels op de trap. Mijnheer March en de professor trokken naar de studeerkamer. Meta en Amy gingen voor taart en vruchten zorgen, terwijl mevrouw Bhaer en Laurie in de breede vensterbank zaten te luisteren naar het vroolijk gebabbel buiten.

„Daar zitten zij — de beste van onze kleine kudde!" zei zij, met een blik naar de groep op de veranda.

„De anderen zijn helaas dood of verspreid, maar deze zeven jongens en vier meisjes zijn de lust en trots van mijn leven. Alice Heath meegerekend, is het net een dozijn, en ik heb de handen vol met deze jonge menschen zoo goed mogelijk op het rechte spoor te brengen."

„Wanneer wij nagaan, hoe verschillend de meesten van hen nu zijn, van toen zij hier kwamen, geloof ik dat wij tot dusverre reden tot tevredenheid hebben," antwoordde

Sluiten