Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIX. Witte rozen.

Terwijl de reizigers zicli verfrischten, en mevrouw de presidente zich in haar beste japon werkte, liep Josie den tuin in om bloemen te plukken voor de bruidjes. De onverwachte verschijning van deze interessante wezens, had haar hoofdje heelemaal vervuld van heldendaden, vurige bewondering en dramatische toestanden. Zij stond nu voor het groote perk met witte rozen, en plukte de mooiste af voor de bouqetten, die zij van plan was met het witte lint, dat over haar arm hing, bijeen te binden, en als een toepasselijke attentie op de toilettafel van haar nieuwe nichten te zetten.

Het geluid van naderende voetstappen deed haar opschrikken, en omkijkende, zag zij haar broer, die met over elkander geslagen armen, gebogen hoofd, en verstrooid uiterlijk, als in diepe gedachten verzonken, het pad afkwam.

„Hij heeft het weer te pakken," dacht zijn bijdehand zusje op haar duim zuigende, die zij juist door een al te harden ruk aan de doornige takken had geprikt.

„Wat doe jij hier, ondeugd!" vroeg Demy, zoodra hij de nabijheid van de verstoorster zijner mijmeringen meer voelde dan wel zag.

„Bloemenplukken voor onze bruidjes! wou je nietdatjeer ook een had?" antwoordde Josie, wier plaagzucht door het woord „ondeugd" onmiddellijk werd opgewekt.

„Een bruid of een bloem?" vroeg Demy kalm, naar het bloeiende rozenperk kijkende, alsof het hem plotseling ongewone belangstelling inboezemde.

„Beide; zorg jij maar voor de eene, dan zal ik je de andere wel geven."

„Ik wou dat ik kon!" en Demy plukte een ontluikenden knop, en loosde een zucht, die Josie's medelijdend hart trof.

„Waarom doe je het dan niet? Het is zoo leuk iedereen zoo gelukkig te zien. Als jij plan hebt, haar te vragen, is

Sluiten