Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem schenen te bespotten. De bisons verwaardigden zich ter nauwernood den kop op te steken als hij hen voorbijging en zagen hem met hunne groote lodderige oogen aan, als begrepen zij dat hun onverbiddelijke vijand ontwapend was, en dat zij dus niets van hem te duchten hadden.

De elanden, die op de hoeken der rotsen stonden te balanceeren, sprongen er af en dartelden voor hem uit, terwijl zijn hond, die niets van deze nieuwe toestanden begreep, zijn meester telkens aankeek, als wilde hij hem vragen wat dit alles toch beteekenen moest.

Zoo ging voor den Squatter de gansche dag voorbij, zonder de minste verandering ten goede in zijn toestand teweeg te brengen, die integendeel hoe langer hoe bedenkelijker werd.

Toen de avond begon te dalen, vlijde hij zich op het zand neder, uitgeput van honger en vermoeienis.

De zon was verdwenen en de duisternis maakte zich snel meester van de prairie.

Reeds verhief zich in de verte het gebrul der wilde dieren, die bij nacht hunne holen verlaten om hun dorst te gaan lesschen of om hun prooi te zoeken.

De ontwapende Squatter had geene middelen bij zich om een vuur te ontsteken en hen op een afstand te houden.

Hij zag om zich|heen; een laatste instinct van behoud, misschien de laatste flikkering der hoop, die goddelijke vonk, die in het hart zelfs van den ongelukkigste nimmer uitsterft, noopte hem om eene schuilplaats te zoeken.

Hij klom in een boom, en na zich op een der dikste takken te hebben vastgebonden, om er niet af te vallen, sloot hij de oogen en zocht den slaap, om ten minste voor eenige oogenblikken den honger te stillen die hem verteerde en zijn jammerlijken toestand te kunnen vergeten.

Maar de slaap komt niet zoo licht bij den ongelukkige, en net is juist wanneer men hem het meest verlangt dat hij het minst gereed schijnt te komen.

Niemand dan hij die het zelf ondervonden heeft, kan zich al het verschrikkelijke voorstellen van een slapeloozen nacht in de woestijn. Daar is de duisternis met akelige spoken bevolkt, de wilde dieren huilen, de slang slingert zich om den boom en grijpt soms den van schrik half dooden ongelukkige in zijne koude glibberige kronkels. Wie kan vertellen uit hoevele eeuwen eene enkele minuut bestaat die in zulk een vreeselijken toestand wordt doorgebracht, of hoe lang deze benauwende nachtmerrie duurt, gedurende welke de ontstelde en verslagen geest, als om zich te pijnigen, de akeligste voorstellingen schept, vooral dan wanneer de maag ledig en juist daardoor het hersengestel des te vatbaarder is voor ijlhoofdige droomen.

Toen de zon opging slaakte de Squatter een zucht van ontheffing. Maar toch, wat beteekende voor hem de verschijning van

Sluiten