Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het licht? Wat was het voor hem anders dan het begin van een nieuwen dag, van ondragelijk leed en foltering?

Hij kon echter nu weder zien, hij kon zich althans rekenschap geven van hetgeen er rondom hem voorviel; de zon verwarmde hem, hare eerste stralen gaven hem weder een weinig kracht.

Hij klom uit den boom in welken hij den nacht had doorgebracht en stapte opnieuw verder.

Waarom stapte hij verder? Hij wist het zelf niet, en toch liep hij alsof hij een bepaald doel bereiken moest, ofschoon hij zeker was dat hij van niemand hulp kon verwachten en dat, integendeel, de eerste persoon die hij in de wildernis ontmoette, zoo hij er een ontmoette, een vijand zou zijn.

Maar zoo is de mensch die een sterke ziel bezit: hij ontvalt zich zelve niet licht, hij kampt tot het laatste oogenblik, en als hij niet op de Voorzienigheid wil hopen, hoopt hij, zonder het voor zich te willen weten, op het gelukkig toeval,

Wij zouden onmogelijk al de gedachten kunnen opsommen die in het hersengestel van den Squatter omgingen, terwijl hij met onzekeren stap, zwijgend en somber, de onafzienbare eenzaamheid der prairie doortrok.

Tegen den middag werd de hitte zoo ondragelijk, dat hij, door zoo vele zedelijke en stoffelijke smarten overstelpt, geheel uitgeput onder een boom nederzonk.

Hij bleef een geruimen tijd op den grond liggen,

Eindelijk door den nood gedrongen, stond hij waggelend op, hield zich met moeite op de been, en zocht naar eenige wortels of kruiden om zijn razenden honger, zoo niet te stillen, dan ten minste te verzachten.

Zijne nasporingen bleven lang vruchteloos, maar eindelijk vond hij een soort van yuca, een meelrijk wortelgewas dat zeer naar den manioc gelijkt, en verslond haar met het grootste genot.

Hij verzamelde een kleinen voorraad van dezen wortel, dien hij met zijn hond deelde, en na een paar frissche teugen uit de rivier te hebben gedronken, maakte hij zich gereed om zijn tocht te hervatten, min of meer gesterkt door dit sobere maal, toen zijn matte blik op eens schitterde, zijn gelaat zich verhelderde en hij met eene ontroerde stem uitriep:

„Zoo het eens een cache was!"

Deze onverwachte uitroep van den Roode-Ceder verdient nadere opheldering.

Op het oogenblik dat hij zijn marsch hervatte en werktuigelijk de oogen rondsloeg, meende hij op korten afstand eene plek te bespeuren waar het gras hooger, dikker en sterker was dan ergens elders. Dit verschil, alleen zichtbaar voor iemand die sinds jaar en dag met de prairie bekend is, en dan nog alleen bij oplettende waarneming, was den Squatter niet ontgaan.

De Indianen zoowel als de jagers, menigmaal verplicht om zich

Sluiten