Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar geloof mij, vijf vastberaden mannen zijn in de woestijn meer te duchten dan men zou denken, en ik hoop dit weldra aan onze vijanden te bewijzen."

„Goed gesproken, vriend," riep don Miguel verheugd, „Cuerpo de Dios! die vervloekte gringo's zullen het spoedig ondervinden."

„Bovendien," vervolgde Yalentin, „hebben wij bondgenooten, die ons als het oogenblik daar is dapper zullen bijstaan; de natie der Comanchen noemt zich met recht de Koningin der Prairieën; ik verzeker u, het zijn geduchte krijgslieden. De Eenhoorn met zijn stam zal ons niet in den steek laten, daarbij hebben wij in het vijandelijke legerkamp een trouwen bondgenoot in den Sachem der Coras."

„Wat hebt gij ons dan gezegd?" riep de generaal vroolijk, „carai! de overwinning is ons!"

Valentin schudde het hoofd.

„Neen," zeide hij, „de Roode-Ceder heeft ook bondgenooten: de roovers der woestijn en de Apachen zullen zich met hem vereenigen, daar ben ik zeker van."

„Misschien," meesmuilde don Miguel.

„In omstandigheden als de onze," riep de Franschman, „mag men op geen onzekere baten rekenen; de Roode-Ceder is te goed met het leven der woestijn bekend om niet te zorgen dat hij de zekerste kansen op welslagen aan zijne zijde heeft."

„Maar als dat gebeurt, dan wordt het een algemeene oorlog," riep de haciendero.

„Zeer zeker," hernam Valentin; „en dat is iuist wat ik verlang. Op twee dagmarschen van hier bevindt zich een dorp der Navajoé's. Ik heb aan den Gele-Wolf, het voornaamste opperhoofd aldaar, eenige goede diensten bewezen, wij moeten maken dat wij er komen eer de Roode-Ceder hem tracht te zien, en ons tot iederen prijs van zijne medewerking verzekeren. De Navajoé's zijn voorzichtige en dappere krijgslieden."

„Vreest gij dan niet dat wij ons te lang zullen ophouden?"

„Eens voor al, cabalieros," riep Valentin, „houdt dit in het oog, dat in het land waar wij thans zijn, de rechte lijn altijd de langste is."

De drie mannén bogen gedwee het hoofd.

„Een verbond met den Gele-Wolf is voor ons onmisbaar; met zijne hulp zal het ons gemakkelijk vallen..."

De onverwachte komst van Curumilla stuitte den jager in zijne rede.

„Wat is er aan de hand?" vroeg hij.

„Luister eens!" antwoordde de Sachem lakoniek.

Alle vier spitsten nieuwsgierig de ooren.

„Mijn God!" riep Valentin, schielijk opstaande, „wat zou dat zijn?"

En oogenblikkelijk sloop hij het kreupelbosch in, door zijne kameraden gevolgd.

De Mexicanen, die minder scherp van gehoor waren, hadden

Sluiten