Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onbekende glimlachte treurig.

„Vergeef mij," zeide bij, „zoo er in mijne woorden iets bitters gelegen is; ik heb veel geleden, en tegen mijn besten wil en dank stroomt de bitterheid des harten mij vaak over de lippen."

„De mensch is op de wereld om er te lijden," antwoordde Valentin ernstig. „Elk van ons heeft hier beneden zijn kruis te dragen; don Miguel de Zarate, zijn zoon en de generaal Ibanez bewijzen de waarheid van hetgeen ik zeg."

Bij het hooren van den naam van don Miguel de Zarate vloog den onbekende een blos over de wangen, in zijn oog fonkelde een vreemde gloed, ondanks zijne geweldige inspanning om bedaard te blijven.

„Van don Miguel de Zarate heb ik dikwijls hooren spreken," zeide hij met eene buiging; „ik weet welke groote gevaren hij geloopen heeft, gevaren uit welke hij alleen door de tusschenkomst van een moedigen en trouwen jager gered werd."

„Die jager staat hier over u," zeide don Miguel. „Helaas! er zijn thans andere, nog veel groote gevaren die ons bedreigen."

De onbekende keek hem een poos aandachtig aan, deed toen een stap voorwaarts, en de armen op de borst kruisende, zeide hij met eene diepe stem :

„Hoor mij ! het is wel degelijk God alleen die u in het hart gaf om mij te hulp te komen, en van u af aan ben ik met ziel en lichaam tot uwen dienst en hecht ik mii aan u als de genen aan zijn gevest. Ik weet waarom gij, don Miguel Zarate, gij, don Pablo, gij, generaal Ibanez, en gij, Koutonepi, want zoo ik mij niet vergis, zijt gij de beroemde jager wiens naam door al de prairiën van het westen klinkt "

„Die ben ik inderdaad," antwoordde Valentin snel en zedig.

„Ik weet, zeg ik," vervolgde de onbekende, „welke krachtige drangreden u noopt om alle uwe gewoonten te verlaten en u naar de verschrikkelijke wildernis van het Verre Westen te begeven."

„Weet gij dat?" riepen de jagers met verwondering.

„Ik weet alles," antwoordde de onbekende ferm. „Ik weet van het verraad dat u dwong om u in de handen uwer vijanden over te leveren; ik weet ook dat uwe dochter door den Roode-Ceder is opgelicht."

Bij deze verklaring liep allen eene huivering door de leden.

„Wie zijt gij dan, dat gij van alles zoo goed onderricht zijt?" vroeg Valentin.

Een droevige glimlach plooide voor een oogenblik de lippen van den onbekende.

„Wie ik ben?" herhaalde hij zwaarmoedig; „wat doet er dat toe, als ik u maar dienen wil?"

„Daar wij u op uwe vraag ronduit geantwoord hebben, moet gij op uwe beurt ook de onze beantwoorden."

„Dat is zoo," hernam de onbekende; ,,ik zal u dan bevredigen.

De Roovers der Prairiën. 2

Sluiten