Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hier moet het paard van den Squatter een poos zijn vastgemaakt geweest," zei Valentin; „geeft wel acht! Wij zullen den beer bespringen in zijn hol. Maar gij weet met welk een man wij te doen hebben, weest dus voorzichtig, of wij krijgen weldra gebroken beenen, en gaten in onzen huid."

Zonder er verder een woord meer bij te voegen, stelde de jager zich aan het hoofd van het viertal. Met de meeste voorzichtigheid begon hij de takken uiteen te buigen, en zonder aarzelen drongen zij het kreupelbosch in.

Op dit oogenblik hoorde men het woedend gehuil van een hond.

„Hola!" riep eene ruwe stem, „wat scheelt u, Black? Hebben de Roodhuiden nog niet genoeg aan hunne les van dezen nacht, en willen zij hun aanval hervatten?"

Op deze woorden volgde het kletterend geluid van een geweer daar men den haan van overhaalt.

Valentin wenkte zijne kameraden om te blijven staan en trad zelf moedig verder.

„Het zijn geen Indianen," riep hij met eene harde stem, „het is Koutonepi, een oude kennis van u, die met u praten wil."

„Ik heb u niets te zeggen," antwoordde de Roode-Ceder, zonder zich nog te laten zien. „Ik weet niet waarom gij mij hier komt opzoeken; zooveel ik mij herinner, hebben wij nooit op zoo goeden voet gestaan dat gij behoefte kunt gevoelen aan mijn gezelschap."

„Dat is waar," riep de jager; „gij zoudt zelfs kunnen verzekeren dat wij integendeel altijd op een kwaden voet stonden; maar dat daargelaten, roep uw hond terug."

„Zoo gij geen kwaad in den zin hebt en als gij alleen zijt, kom dan maar vooruit, en ik zal u als vriend ontvangen."

Hij floot zijn hond, die terstond zweeg en weder naar hem toekwam.

„Wat mijne bedoelingen aangaat, kan ik u verklaren dat zij zeer goed zijn," antwoordde de oude Spahis, terwijl hij zich door het kreupelbosch een weg baande.

Op eens bevond hij zich tegenover den Squatter, die met het geweer in de hand voor den nauwen ingang van eene grot stond.

De beide mannen waren nauwelijks vijftien passen van elkander af en hielden elkander met wantrouwige blikken in 't oog. Overigens is dit in de prairie bij dergelijke ontmoetingen niets ongewoons; het wantrouwen neemt daarbij altijd de eerste plaats in.

„Blijf daar!" riep de Roode-Ceder, „wat wij elkander te zeggen hebben, behoeven wij elkander niet in 't oor te fluisteren. "\Atat kan het ons schelen dat de vogels of slangen ons gesprek hooren ? Kom, spreek op; wat komt gij hier, zoeken? Zeg wat gij te zeggen hebt, maar vooral maak het kort, ik heb geen tijd om uwe vertelsels aan te hooren,"

„Wel!" riep de andere, „mijne vertelsels zijn zoo goed als de uwe, en misschien zoudt gij uw tijd beter besteed hebben met er naar te luisteren, dan te doen wat gij gedaan hebt."

Sluiten