Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had geen ander middel gevonden om diens kogel af te wenden, die hem inderdaad schadeloos langs het oor floot.

„Con mil demonios!" brulde de scalp-jager, terwijl hij als een razende de grot inliep; zijne vijanden, behalve Curumilla, stormden hem ijlings achterna.

Maar in de grot vonden zij hem met pistolen gewapend terug. Als een wild zwijn in zijn hol overrompeld, vocht de bandiet met de woede der wanhoop en gaf hij nog geenszins den moed verloren om te ontsnappen.

Zijn hond, dicht naast hem gekropen, wachtte met open muil en loerende blikken op het sein van zijn meester, om zich op de aanvallers te werpen.

De Squatter loste achtereenvolgens vier schoten uit zijne pistolen, doch met te veel overhaasting, zoodat zij niemand raakten.

Thans zijn vuur moetende staken en niet meer willende schieten, wierp hij zijn vijanden de pistolen naar het hoofd, sprong als een panter terug en verdween plotseling in de diepte der grot, met den spottenden uitroep: „Gij hebt mij nog niet!"

Onder al de wisselingen van dit tooneel had de bandiet geen oogenblik zijne koelbloedigheid verloren en berekende hij al de kansen op behoud die hem overbleven, om er onmiddellijk gebruik van te maken, en terwijl hij zijne vijanden onophoudelijk bezighield, vergat hij niet dat de grot een tweeden uitgang had.

Maar plotseling bleef hij staan met een vreeselijken vloek, hij had er niet aan gedacht de Gila, die door den regen sterk gezwollen was, den uitgang door welken hij wilde vluchten op dit oogenblik overstroomd had. Met de machtelooze woede van een wild dier, dat zich in een strik gevangen ziet, liep hij een poos in de grot heen en weder.

In de duisternis rondtastend, hoorde hij in de kronkelingen der spelonk de voetstappen zijner vervolgers meer en meer naderen; de seconden waren voor hem geteld; hij was verloren.

„Vervloekt!" riep hij, „moet mij dan alles tegelijk ontvallen."

Hij wilde ontsnappen tot iederen prijs, en zijn paard zien te bereiken dat eenige passen buiten de grot op een klein eiland was vastgemaakt, waar het water, dat gedurig steeg, het weldra dreigde te bedekken. Hij wierp een laatsten blik om zich heen en sprong in de diepte, om onder het binnenstroomende water door te duiken, dat zich schuimend boven hem sloot, en zoodoende buiten de grot te komen.

Valentin en zijne gezellen hadden intusschen fakkels ontstoken en kwamen bijna gelijktijdig in de spelonk terug; maar de bandiet was verdwenen; alles in de grot was doodstil.

„De ellendeling heeft zich zeiven recht gedaan?" zei de haciendero.

De jager schudde het hoofd.

„Daar twijfel ik aan," antwoordde hij.

Sluiten