Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het groote opperhoofd der Apachen, van den stam der Bisons, dien ik hoop te zien, kunnen wij met de meeste gerustheid de woestijn doortrekken.

„Maar wie zal den troep kommandeeren als gij afwezig zijt?" vroeg Fray Ambrosio.

„Gij," antwoordde de Roode-Ceder, „gij en deze caballeros; maar houdt dit bovenal in het oog : onder geen voorwendsel hoegenaamd, moogt gij dit eiland verlaten."

,,'t Is goed, Roode-Ceder, gij kunt vertrekken; wij zullen geen voet verzetten voordat gij terug zijt."

Na eenige andere woorden van minder belang, sprong de Squatter in den zadel, reed het kamp uit, daalde met zijn paard in de rivier af en na haar over te zijn gezwommen, reed hij het hooge gras in, waar hij weldra verdween.

Het was ongeveer zes uur des avonds toen de Roode-Ceder zijne kameraden verlaten had, om zijne aanstaande bondgenooten te gaan zoeken.

De gambusinos hadden op het vertrek van hun chef slechts weinig acht gegeven, een vertrek daar zij de reden niet van wisten en dat zij overigens slechts als van zeer korten duur beschouwden.

Het was intusschen geheel nacht geworden. De gambusinos, vermoeid door hun langen marsch, lagen in hunne mantels gewikkeld rondom de vuren te slapen; slechts twee schildwachts waakten voor het heil van allen.

Deze twee schildwachten waren Dick en Harry, de twee Canadeesche jagers, die het toeval zoo klakkeloos onder de bandieten had gevoerd.

Met den rug tegen den stam van een grooten cederboom geleund, zaten drie andere mannen met zachte stem vertrouwelijk te praten.

Deze drie mannen waren Andreas Garote, Fray Ambrosio en de Arends-Veer. Eenige schreden van hen af verhief zich eene hut van takken, onder wier onzekere dak de Squatters-vrouw met hare dochter Ellen en donna Clara waren gehuisvest.

De drie mannen, te zeer in hun gesprek verdiept, bemerkten de witte schaduw niet die de hut uittrad, stil tusschen de boomen doorsloop, en eindelijk bij den grooten ceder bleef staan onder welke zij samen zaten te spreken.

De Arends-Veer, met zijne gewone Indiaansche scherpzinnigheid, had den haat reeds bemerkt die tusschen Fray Ambrosio enden Roode-Ceder bestond, maar bij bewaarde deze ontdekking zorgvuldig in zijn hart, zich intusschen voorbehoudende om er bij de eerste goede gelegenheid zijn voordeel mede te doen.

„Hoofdman," zei de monnik, „kunt gij u niet gissen wat het voor vrienden zijn die de Roode-Ceder zal medebrengen ?"

„Neen," was het antwoord, „hoe zou ik dat weten?"

Sluiten