Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met deze woorden stond de Indiaan op, deed zijn bisonsmantel om en verwijderde zich met haastigen tred, de twee Mexicanen achterlatende, die bedremmeld zaten te kijken over een weerstand dien zij zoo niet hadden verwacht.

Beiden staarden hem een tijdlang na met eene mengeling van schrik en verbazing en niet zonder inwendigen wrok.

„Dat wilde beest!" mompelde de monnik eindelijk, „die stomme Indiaansche hond! hij zal er voor boeten.

„Wees voorzichtig, senor padre," zei de gambusino, „wij zijn op dit oogenblik niet in de rechte stemming. Wat geven wij om dien man, daar wij toch niets tegen kunnen doen? Laten wij liever iets anders zoeken. Alles komt terecht voor hem die zijn tijd weet af te wachten, eens komt het oogenblik dat wij ons aan hem zullen wreken; tot zoolang moeten wij veinzen, dat is geloof ik het beste wat wij doen kunnen."

„Hebt gij wel opgelet, toen de Roode-Ceder ons verliet, dat hij geen woord van de gevangene gerept heeft?" vroeg Fray Ambrosio.

„Waartoe zou dat dienen? Hij weet zeer goed dat zij hier veilig is. Van dit eiland is iedere vlucht onmogelijk."

„Dat is waar; maar waarom heeft hij die vrouw toch opgelicht?"

„Wie weet bet? De Roode-Ceder is een van die menschen wier gedachten men niet zonder gevaar kan doorgronden. Tot dusver zien wij zijn gedrag nog niet helder genoeg in; laat hem maar eerst terugkomen, misschien dat dan zijn doel ons wel duidelijker zal worden."

,,Die vrouw is mij hier in den weg," hervatte de monnik wrevelig.

„Wat is er tegen te doen ? Daar ginder, te Santa-Fe, heb ik niet geaarzeld u te helpen om haar weg te krijgen; nu is het te laat, het zou dwaasheid zijn aan zoo iets te denken. Maar in allen geval, wat kan het ons schelen of zij al dan niet bij ons is ? Geloof mij, zorg voor uwe eigen zaken, en denk niet meer aan haar. Bah! zij zal ons niet hinderen om de placet (goudmijn) te bereiken."

De monnik schudde ontevreden het hoofd, maar antwoordde niet.

De gambusino wikkelde zich in zijne zarape, ging op den grond liggen en sliep in.

Fray Ambrosio bleef zitten, in ernstige gedachten verzonken. Waaraan zou hij gedacht hebben?

Zeker aan het een of ander verraad.

Toen de vrouw, die al dien tijd tegen den boom geleund had staan luisteren, bemerkte dat het gesprek uit was, sloop zij stil weg en trad de hut weder binnen.

Sluiten