Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIL

ELLEN EN DONA CLARA.

Sinds dona Clara opnieuw in de macht van den Roode-Ceder was geraakt, had zij zich in sombere droefgeestigheid, zonder beklag of tegenkanting aan haar lot onderworpen en alle hoop op ontvluchting geheel opgegeven, vooral toen zij gezien had, dat hare oplichters bepaaldelijk de woestijn van het Verre Westen waren ingetrokken.

Voor een jong meisje, aan al de verfijnde gemakken der weelde gewend en aan de duizend kleine zorgen waarmede de vaderlijke liefde haar gedurig te gemoet kwam, was de nieuwe levenswijs die zij hier begon, eene aaneenschakeling van foltering en angst, te midden van een bende half wilde mannen, wier onbeschofte manieren en ruwe woorden haar onophoudelijk deden vreezen voor beleedigingen, die zij te zwak zou zijn om af te weren.

Intusschen, tot op dit oogenblik, was het gedrag van den RoodeCeder ten haren opzichte, wij willen niet zeggen eerbiedig, want voor zulke beschaafde gevoelens was de Squatter niet vatbaar, maar ten minste welvoegelijk genoeg; hij gaf zich namelijk den schijn alsof hij zich volstrekt niet met baar bemoeide, terwijl hij in stilte zijn volk bevel had gegeven haar op geenerlei wijs te kwellen of te verontrusten.

Dona Clara was door den bandiet aan de zorg van zijne vrouw Betsy en hare dochter Ellen toevertrouwd.

De afzichtelijke oude megera, had het meisje, na haar een loenschen blik te hebben toegeworpen, norsch den rug toegekeerd en haar geen enkele maal aangesproken, een gedrag dat voor de jonge Mexicaansche inderdaad hoogst welkom was.

Wat Ellen betreft, deze had zich, op eigen gezag, tot vriendin der gevangene aangesteld, aan welke zij al de kleine diensten bewees die de omstandigheden gedoogden en dat met eene kieschheid en tact, die men van een meisje dat in de woestijn en door zulk een vader was opgevoed, voorzeker niet zou hebben verwacht.

In de eerste oogenblikken geheel aan hare smart overgegeven, had dona Clara op de zorgen van Ellen geen de minste acht geslagen; van lieverlede echter hadden de onuitputtelijke zachtheid en het onverzettelijk geduld van het Amerikaansche meisje haar getroffen; tegen wil en dank was zij gevoeliger geworden voor de diensten die deze haar zonder ophouden bewees, en zoo had zich bij haar voor de dochter van den Squatter allengs eene genegenheid gevestigd, die weldra in vriendschap was overgegaan.

De jeugd is van zelve geneigd tot vertrouwelijkheid; als een of ander groot verdriet haar nederdrukt, ontstaat van zelf de behoefte om dat verdriet toe te vertrouwen aan ooren die het hooren willen en aan een hart dat medelijden gevoelt en er in deelen wil.

Alleen, te midden der bandieten onder welke het toeval haar

Sluiten