Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■vrouw, en een langen statigen man met fleren blik, die mij in zijne armen neemt en mij liefkoost, en dan "

„En dan?" riepen de jagers met hijgende stem.

„En dan zie ik vlammen, verwarring, bloed en niets meer, niets dan een man, die mij in den nacht naar een steigerend paard draagt."

Het meisje, na deze woorden met eene geschokte stem gesproken te hebben, liet haar hoofd op de beide handen zinken.

Er volgde een lange poos stilte.

De twee Canadeezen beschouwden het meisje met gespannen aandacht. Eindelijk stonden zij schielijk op, en legde Harry haar de hand op den schouder.

Zij hief het hoofd op.

„Wat wilt gij?" vroeg zij.

„U eene vraag doen."

„Spreek."

„Hebt gij nooit, van uwe kindsheid af, den Roode-Ceder nadere inlichting gevraagd omtrent uwe twijfelingen?" vroeg de jager.

„Ja wel," antwoordde zij, „eens deed ik dat."

„Welnu?"

„Hij hoorde mij aandachtig aan en liet my alles vertellen;, maar toen ik zweeg, zag hij mij aan met een blik die zich niet laat beschrijven, haalde de schouders op en antwoordde mij: „wees toch niet dwaas. Ellen, gij moet gedroomd hebben. Wat gij mij daar vertelt, is een ongerijmd sprookje." Daarop liet hij er spotachtig op volgen: „Het spijt mij voor u, arm schaap, maar gij zijt werkelijk mijne dochter."

„Nu," riep Dick, op een toon van volkomen overtuiging, terwijl hy met de kolf van zijn geweer op den grond stampte, „dan zeg ik u, dat hij liegt, en dat die man uw vader niet is."

„De duiven broeden niet in het nest der roofvogels," voegde Harry er bij, „neen, Ellen, neen, gij zijt de dochter niet van dien man."

Het meisje stond op, greep met iederen hand een der armen van de beide jagers, en toen, na hen een oogenblik te hebben aangekeken, zeide zij:

„Neen, ook ik geloof het niet. Ik weet niet om welke reden, maar sedert eenige dagen spreekt er een heimelijke stem in mijn hart, en zegt mij dat die man mijn vader niet zijn kan; en daarom kom ik, die tot dusver steeds uwe aanbiedingen geweigerd heb, mij thans op uwe trouw verlaten en u verzoeken of gij mijne vlucht zoudt willen begunstigen."

„Ellen," antwoordde Harry ernstig en op eerbiedigen toon, „ik zweer u bij den hemel, die ons hoort! dat mijn vriend en ik ons zonder aarzeling zullen laten dooden om u te beschermen of te verdedigen ; ik zweer u dat wij u steeds als eene zuster zullen beschouwen, en dat gij in deze woestijn, die wij moeten doortrekken om het land der beschaving te bereiken, even veilig zijt en even eer-

Sluiten