Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een ouden koffer grabbelende, daar de Roode-Ceder en zijne familie hunne kleederen in bergden, vond Ellen een kleine doos of kistje, niet grooter dan eene hand, van gesneden palisanderhout en met zilver ingelegd, dat de Squatter gewoonlijk bij zich droeg, maar gedurende zijne tegenwoordige onderneming gemeend had op eene andere plaats te moeten bewaren.

Het meisje bekeek het een oogenblik met aandacht, het was gesloten. Eene invallende gedachte daar zij zich geene rekenschap van wist te geven, maakte zich van haar meester, werktuigelijk behield zij het doosje voor zich en stak het snel in haar boezem.

„Vertrekken wij," zeide zij tot Dona Clara.

„Ik ben gereed," antwoordde de Mexicaansche, terwijl haar hart bijna hoorbaar klopte.

De twee meisjes traden de hut uit en hielden elkander bij de hand vast.

Met korte stapjes gingen zij voorzichtig het kamp door en recht op de jagers af.

De gambusinos die rondom de vuren lagen, verroerden zich niet, zij waren te diep in slaap.

Wat de jagers betreft, ook deze hadden zich tot de vlucht gereed gemaakt. Terwijl Dick de vier sterkste en vlugste paarden die hij vinden kon uitkoos en naar den oever der rivier geleidde, maakte Harry zich van de zadels en tuigen der overigen meester en wierp ze allen in het water, waar zij terstond verdwenen en door den stroom werden weggevoerd.

De Canadees begreep dat de tijd, dien de gambusinos noodig zouden hebben om zich van ander tuig te voorzien, voor hen zekere winst was.

Toen Harry en Dick met de paarden gereed waren, kwamen de meisjes juist aan den oever der rivier.

Zij stegen onmiddellijk in den zadel.

De Canadeezen namen haar in hun midden, en de vier vluchtelingen lieten hunne paarden in den stroom afdalen. Gelukkig was het water laag, en ofschoon de trek in het midden der rivier vrij sterk was, kwamen de paarden er zonder tegenspoed over.

Het was ongeveer elf ure des avonds toen de vluchtelingen het vaste land onder de voeten kregen.

Zoodra zij diep genoeg in het hooge gras verborgen waren om niet van het eiland bemerkt te worden, hielden zij stil om de paarden te laten uithijgen, die geheel buiten adem waren door den moeielijken overtocht dien zij volbracht hadden.

„Wij moeten ons de weinige uren ten nutte maken, die ons gegund zijn om dezen nacht door te rijden," zeide Harry zacht.

„Men zal ons vertrek niet ontdekken voordat de zon opgaat," merkte Dick hierop aan, „de tijd dien men zal verspillen met ons op het eiland te zoeken en dien men verder noodig zal hebben om de tuigen te herstellen, dit alles te zamen gerekend,

Sluiten