Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Redden wij ons dan! wat het ook wezen mag," antwoordde het meisje onverschrokken, maar met sidderende lippen en tintelend oog.

„Kom!" riep hij.

Dona Clara volgde hem zonder aarzelen tot aan den steilen kant der rivier.

De krijgsman bleef staan.

„Ginds" zeide hij met eene bezielende stem, terwijl zijne hand met edele minachting naar de Apachen wees, die in vollen ren aanreden, „ginds, is de slavernij, de schande en de dood! Hier!" vervolgde hij naar de rivier wijzende, „is misschien de dood, maar zeker de vrijheid!"

„Laten wij vrij zijn of sterven!" antwoordde zij met eene gegebroken stem.

Wij hebben reeds gemeld dat de rivier tusschen twee hooge oevers stroomde; de vluchtelingen stonden als ruiterstandbeelden op den rand der steilte, twintig of vijf en twintig voet boven den waterspiegel, van welke hoogte zij zich in den stroom moesten werpen, —een vervaarlijke sprong voor paarden die reeds zulk een vermoeienden rit hadden gemaakt, en bij het afstorten licht konden omkantelen en met ruiter en al in de diepte verdwijnen.

Elk ander middel van behoud was onmogelijk geworden,

De Apachen, in alle richtingen over de vlakte verspreid, waren er eindelijk in geslaagd om de vluchtelingen te omsingelen.

„Heeft mijne zuster besloten?" vroeg de Indiaan.

Dona Clara wierp een blik om zich heen.

De Roodhuiden, onder aanvoering van de Zwarte-Kat, waren geen honderd vijftig passen meer van hen af.

„Welaan, in 's Hemels naam!" zeide zij.

„Welaan dan, en Natohs bescherme ons!" riep de Indiaan, drukten hunne paarden met kracht de flanken, zetten hen gelijktijdig in beweging, en de twee edele dieren sprongen brieschend van schrik in den stroom.

Op hetzelfde oogenblik hadden de Apachen de kruin van den heuvel bereikt. Zij konden hunne spijt niet verkroppen en schreeuwden van teleurstelling en toorn, bij het zien van dit wanhopig bedrijf.

De waterkolk had zich boven de vluchtelingen gesloten, terwijl een wolk van schuim ten hemel spatte. Intusschen kwamen de paarden weldra weder boven water en zwommen met kracht naar den anderen oever.

De Apachen waren op den heuvel blijven staan, met schimpen en bedreigingen hunne slachtoffers naschreeuwende, die hun door zulk een wonder van vermetelheid waren ontsnapt.

Een onder hen, door woede gedreven, of die zijn paard niet spoedig genoeg inhield, stortte in de Gila; doch daar hij zijn tempo te slecht genomen had, was de sprong doodelijk voor het paard, dat in zijn val omkantelde. De Indiaansche ruiter raakte echter gelukkig vrij, en scheen de rivier over te zullen zwemmen.

Sluiten