Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jager met kwalijk verborgen ongeduld; „het is niet om ons zulke praatjes te komen vertellen dat ik u het verlangde mondgesprek heb toegestaan; kom dus ter zake, als ik u verzoeken mag."

„Ik dacht mijn broeder alleen te bewijzen dat wij goed onderricht zijn, en zeer wel weten dat er voor de Bleekgezichten geen hoop op vlucht of redding meer overblijft. Als mijne broeders dus willen vertrekken zonder door ons verontrust te worden, kunnen zij op zekere voorwaarden vrij naar hun volk terugkeeren."

„Ah,zoo! En op welke voorwaarden, hoofdman, als ik u vragen mag?''

„Als gij ons onmiddellijk twee personen uitlevert, die zich hier bevinden."

„Ei! is het dat? En wie zijn die twee personen?"

„De Witte Lelie en de krijgsman der Coras."

„Hoor eens, hoofdman, als gij om mij zulk een voorstel te doen u de moeite hebt gegeven van hier te komen, hebt gij verkeerd gedaan uwe kameraden te verlaten," zei Valentin meesmuilende.

„Mijn broeder kan zich nog bedenken," hernam de Apache altijd even bedaard.

„Ik bedenk mij nooit als ik eene laagheid zou moeten begaan, hoofdman," antwoordde Valentin droogjes. „Wij kennen elkander sinds lang; verscheidene krijgslieden van u zijn door mij reeds naar de velden der gelukzaligen gezonden; meermalen heb ik tegen u gestreden, en gij, noch uwe broeders, noch iemand in de woestijn kan mij verwijten dat ik ooit eene daad heb gedaan die een braaf jager onwaardig is."

„Dat is waar," antwoordden de beide opperhoofden met eene eerbiedige buiging, „mijn broeder is geacht en gezien bij al de Apachen."

„Dank u. Intusschen hoort mij. Het jonge meisje, door u de Witte Lelie genoemd, en dat gij gevangen hebt gemaakt, is op dit oogenblik werkelijk en wettiglijk vrij, dat weet gij zeer goed, gij hebt dus geen reden om haar van mij te komen opeischen."

„Verscheidene onzer broeders, de dapperste krijgslieden van onzen stam, zijn naar de gelukzalige prairiën vertrokken, voor dat het uur door den Wakondah bepaald daar was; hun bloed schreit om wraak."

„Dat gaat mij niet aan; zij zijn als dappere mannen in den strijd gesneuveld, dat is zoo de kans van den oorlog."

„Mijn broeder heeft goed gesproken," zei de Zwarte-Kat, „de Witte Lelie is vrij; zij blijve bij de krijgslieden van haar volk, dat geef ik toe; maar mijn broeder kan mij niet weigeren den Indiaan aan mij uit te leveren die zich in zijn kamp schuilhoudt."

„Die Indiaan is mijn vriend," antwoordde de jager grootmoedig, „hij is mijn gevangene niet, hoe kan ik hem dan uitleveren? Ik heb zelfs het recht niet om hem te verplichten mij te verlaten, zoo hij verkiest langer bij mij te blijven; het opperhoofd weet dat de gastvrijheid in de prairie heilig is. Als Mookapec naar zijne broeders wenscht terug te keeren, is hij vrij. Maar welk belang hebben er de Apachen bij, als ik hun dien man zou in handen leveren?"

Sluiten