Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Coras der Meeren, zijne vrijheid herneemt, dat hij het water en vuur in hunne dorpen verzaakt, dat hij met hen geen gemeenschap meer heeft, en dat zoo de Apachenhonden hem zoeken en te zeer nabij komen, zij hem altijd gereed zullen vinden om hun op het oorlogspad het hoofd te bieden. Ik heb gezegd."

De opperhoofden der Bisons hadden deze bijtende taal met gewone kalmte der Indianen aangehoord. Geen spier op hun aangezicht had zich bewogen.

Toen de Sachem der Coras met spreken gedaan had, keek de 2warte-Kat hem strak aan en antwoordde koel en bits:

„Ik heb een raaf gehoord ; de Coras zijn vreesachtige vrouwen; de Apachen krijgslieden zullen rokken voor hen maken. Mookapec is een hond der prairiën, de zonnestralen steken hem te veel in de oogen; hij zal zijn leger maken bij de hazen der Bleekgezichten; mijne natie kent hem niet langer!"

„Wel moge het haar bekomen," antwoordde Valentin snakerig, terwijl de Arends-Veer bij dezen vloed van scheldwoorden zich vergenoegde verachtelijk de schouders op te halen.

„Ik keer terug," hervatte de Zwarte-Kat. „Eer de nachtuil zijn lied laat hooren om de opgaande zon te begroeten, zullen de haarschedels der Bleekgezichten aan mijn gordel hangen."

„En," voegde het tweede opperhoofd er bij, „de jonge mannen van mijn stam zullen van de beenderen der blanken oorlogsfluitjes

maken." , , . ,

,,'t Is goed!" hernam Valentin met een nurkschen lach; „ziet maar dat gij ons krijgt, wij zijn gereed om u te ontvangen en onze karabijnen dragen ver." .

„De Bleekgezichten zijn bluffende en huilende honden, riep de Zwarte-Kat tot besluit, „ik kom spoedig terug."

„Des te beter," riep Valentin, „maar eer ik verder ga, daar ik vertrouw dat gij ons niets meer te zeggen hebt, zou ik u raden om hoe eer hoe liever naar uwe vrienden terug te keeren, zij zullen wel zeer ongerust worden over uw lang uitblijven."

De Zwarte-Kat kookte van gramschap bij deze scherpe spotternij, maar hij verbeet zijne woede, wikkelde zich trotsch in zijn bisonsvellen mantel, stapte weder op zijn vlotschuitje en de beide Apachen pagaaiden zich snel van het eiland n*ar den tegenover liggenden oever.

XVI.

DE ZONNESTRAAL.

De toestand der vluchtelingen was inderdaad hachelijk.

Zooals de Zwarte-Kat gezegd had, nam het aantal Indiaansche krijgslieden ieder oogenblik toe. Tegenover het eiland, op de beide

Sluiten