Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar hunne vijanden sliepen zonder in het minst iets te vermoeden van hunne stoutmoedige, ja vermetele vlucht.

De nacht was omtrent half verloopen en de mist hulde de vluchtenden in zijn somberen sluier; zij hadden minstens nog zes vrije uren voor zich en zij lieten die niet ongebruikt.

De paarden renden onafgebroken voort in gestrekten galop en maakten tien mijlen in een enkelen rit.

Bij het eerste lichten van den dag loste de mist zich op onder de verwarmende stralen der opgaande zon.

Onwillekeurig hieven de reizigers het hoofd op en sloegen de blikken om zich heen.

De woestijn was kalm en niets verstoorde de statige eenzaamheid.

In de verte waren enkele bisons en elanden vreedzaam aan het grazen, een zeker bewijs dat zich geen Indianen in de nabijheid bevonden, wier tegenwoordigheid de elanden vooral, reeds op grooten afstand gewaarworden.

Valentin, minder om zelf adem te scheppen dan wel om de paarden te laten uithijgen, vond goed om de snelheid van hunne toomelooze vaart te verminderen, die nu niet meer zoo dringend vereischt werd.

De landstreek waar de jagers zich thans bevonden, geleek weinig of niets naar die welke zij eenige uren te voren verlaten hadden.

Hier en daar was het land door opgaand bosch bedekt; links en rechts van hen af vertoonden zich hooge heuvels. Van tijd tot tijd trokken zij over een dier ontelbare riviertjes die van de bergen afstroomen en na duizend bochten zich uitstorten in de Rio-Gila.

Tegen acht ure in den morgenstond wees Valentin, een weinig links van zich af naar een kleine blauwe rookzuil die zacht ten hemel kronkelde.

„Wat is dat?" vroeg don Pablo ongerust.

„Zeker een jagerskamp," antwoordde Valentin.

„Neen," zei Curumilla, „dat is geen vuur van blanke jagers, maar van Indianen."

„Sapperloot, hoe kunt gij dat zien,hoofdman?" riep don Pablo, nu wilt gij ons ook wat wijs maken; alle vuren zijn immers hetzelfde en geven rook?"

„Ja," hernam Valentin, „alle vuren geven wel rook, „maar er is een groot verschil tusschen rook en rook, is het zoo niet, hoofdman?" vervolgde hij tegen Curumilla.

„Ja!" antwoordde de Ulmen laconiek.

„Alles goed en wel," hervatte don Pablo volhardend; „ maar kunt gij mij ook zeggen, hoofdman, waaraan gij ziet dat die rook van een vuur der Roodhuiden afkomstig is?"

Curumilla haalde de schouders op, zonder hem te antwoorden.

De Arends-Veer nam het woord:

„De blanken, als zij vuur maken." zeide hij, „nemen het eerste hout dat zij vinden."

Sluiten