Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze liet haar begaan, en toen, na de bracelet bij herhaling gekust te hebben, sloeg zij de oogen op en reikte dona Clara de band :

„Vaarwel!" zeide zij met eene bewogen stem. „Mijne zuster bidde voor mij tot haar God; men zegt dat Hij zoo machtig is, misschien zal Hij mij willen helpen!"

„Ik hoop ja, arm kind!" antwoordde dona Clara haar omhelzende.

De Zonnestraal schudde treurig het hoofd, wenkte hare vriendin «en laatst vaarwel toe, sprong als eene verschrikte hinde naar de deur en verdween.

Nadat de Zonnestraal vertrokken was, bleef dona Clara nog lang zitten mijmeren.

De geheimzinnige woorden en verlegen houding der Indiaansche hadden hare nieuwsgierigheid ten hoogste gaande gemaakt. Maar bovendien stelde zij groot belang in deze buitengewone vrouw, die haar zulk een onbetaalbaren dienst bewezen had; zij was zeer ongerust over haar, daar een somber voorgevoel haar influisterde dat de Zonnestraal vertrokken was om een van die gevaarlijke plannen te ondernemen, die de Indianen soms ten uitvoer zoeken te brengen, totiederen prijs en zonder hulp of ondersteuning van welken aard ook.

Zoo gingen er omtrent twee uren voorbij.

Dona Clara zat met het hoofd op de borst gezonken, en herhaalde in haar bewogen geest al de zonderlinge gebeurtenissen die haar gebracht hadden naar de plaats waar zij zich thans bevond.

Op eens werd haar oor getroffen door een half gesmoorden zucht.

Zij keek verwonderd op. Tegen een der posten van hare calli stond een jongman geleund, in deemoedige en bedeesde houding en met een onbeschrijfelijken blik haar aanstarende.

Die jongman was Shaw, de zoon van den Roode-Ceder.

Dona Clara kreeg een blos en sloeg verlegen de oogen neer.

Shaw bleef zwijgen en wendde de oogen niet van haar af; hij scheen gelukkig dat hij haar zien mocht en op zijn gemak kon aanstaren.

Het jonge meisje zoo gansch alleen in deze ellendige Indiaansche hut, tegenover een man die reeds verscheidene malen moedig zijn leven voor haar gewaagd had, verzonk in diep en ernstig nadenken.

Eene zonderlinge onrust overmeesterde haar, haar hart klopte van ontroering, zij begreep niets van de gewaarwordingen die haar deden sidderen. Haar zachte, door weemoed getemperde blik rustte onwillekeurig met welgevallen op den edelen jongeling, een der schoonste mannen in de prairie, wiens fiere oogopslag en ontembaar karakter dubbel aantrekkelijk schenen, nu hij daar zoo deemoedig en bedeesd voor haar stond, en zij hem voor een enkele frons van hare wenkbrauwen zag verbleeken, hij, de wilde zoon der woestijn die nooit eenen anderen meester gekend had dan zijn eigen wil.

Toen zij daar den schoonen, moedigen jongman zag staan, kon zij hem hare belangstellende aandacht niet weigeren.

Ofschoon het woord liefde haar nog onbekend was, had er sinds

De Roovers der Prairiën. 8

Sluiten