Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der zich over den afloop zijner zending verheugen; de Eenhoorn, daar houd ik mij van overtuigd, zou, zoo hij in dezen raad gezeten had, niet anders gesproken hebben, dan ik. Morgen, met het opgaan der zon, trekken al de krijgslieden van onzen stam op, den Zoon des Bloeds te hulp. Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, opperhoofden?"

„Onze vader heeft goed gesproken," antwoordden de opperhoofden buigend, „het zal geschieden zoo als hij verlangt."

„Ooah!" hervatte Pethonista „dat mijne zonen zich thans gereed maken voor de plechtige feestviering ter eere van onze nieuwe blanke vrienden en laten wij toonen dat wij krijgslieden zijn zonder vrees. De Oude-Honden zullen voor de raadshut dansen."

Deze aankondiging werd met daverend vreugdegejuich en handgeklap ontvangen.

De Indianen, die men gewoonlijk voor zoo onbeschaafd houdt, bezitten een aantal vereenigingen, welke grootelijks met die der vrijmetselaren overeenkomen.

Deze vereenigingen of genootschappen onderscheiden zich door hunne liederen, dansen en zekere herkenningsteekenen. Eer men van zulk eene vereeniging lid wordt, moet men verscheidene proeven doorstaan, en vele graden van oefening doorloopen.

De Comanchen tellen elf dergelijke vereenigingen voor mannen en drie voor vrouwen.

De zoogenaamde Scalp- of hoofdharen-dans wordt onder deze genootschappen niet begrepen en is van meer algemeen gebruik.

Wij zullen hier slchts spreken van den Wachuk-ke-echké, dat is het genootschap der Oude Honden, eene vereeniging aan welke geene andere dan de meest vermaarde krijgslieden der natie mogen deelnemen, en welke dans alleen plaats heeft als er een oorlog op handen is, ten einde de bescherming van Natohs in te roepen.

De vreemdelingen beklommen met een aantal Indianen het dak der raadshut, en toen al de toeschouwers behoorlijk waren geplaatst, nam de plechtigheid een aanvang.

Reeds voor dat de dansers in het gezicht waren, hoorde men in de verte de scherpe tonen hunner ïhkochekas of oorlogsfluiten, uit menschenbeenderen vervaardigd.

Eindelijk verschenen er niet minder dan negentien Oude-Honden, allen gedost in hunne beste kostumen.

De meesten droegen fraaie japonnen, of hemden van langhoornleder; anderen hadden, hetzij hemden aan van rood laken, of roode en blauwe uniformen, die zij bij hunne bezoeken op de forten en grensvestingen van de Amerikanen hadden gekocht. Weder anderen hadden het bovenlijf naakt, maar beschilderd, in rood, met al hunne vroegere heldenfeiten; nog anderen, en dit waren de meest beroemden, droegen groote mutsen van ravenvederen op het hoofd en met kleine donzen pluimen bezet. Deze mutsen waren van achteren zeer laDg en hingen tot over de heupen af.

Midden op het hoofd, in dezen ontzaglijken vederbos prijkte de

Sluiten