Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgespreide staart van een kalkoen, alsmede die van een koningsarend.

Om den hals droegen de voornaamste Oude-Honden een lange strook rood laken, die van achteren tot aan de kuiten afhing en midden op den rug een knoop of roset vormde. Aan de rechterzijde van het hoofd hadden zij een dichten bos uilenveeren, het onderscheidingsteeken der vereeniging; aan een koord om den hals droegen zij hunne lange ihkochekas en in den linkerarm hun wapen, een geweer of een knods. In de rechterhand hielden zij de chichikoué der vereeniging.

De chichikoué, is een soort harmonica of rinkelstok, met witte en blauwe glaskralen en allerlei dierenhoeven versierd; aan het boveneinde steekt een arendsveer en onderaan is een stuk leder, met glazen kralen geborduurd, en met bossen menschenhaar of scalpen behangen.

De krijgslieden formeerden een grooten kring, in het midden waarvan men een trom plaatste, die door vijf slecht gekleede mannen geslagen werd; behalve deze vijf mannen, stonden er nog twee naast hen, die op een soort van tamboerijn speelden.

Op de sterke en afgemeten slagen der tamboers antwoordden de Oude-Honden beurtelings met hunne oorlogsfluiten in korte strophen of roulades, die altijd dezelfde waren en dikwijls werden herhaald.

Eindelijk begon de dans; en nu lieten allen hunne mantels achter zich afvallen.

Sommigen dansten binnen den kring, met het bovenlijf sterk voorover gebogen, en maakten hooge luchtsprongen met de beide voeten tegelijk.

De andere Oude-Honden dansten zonder orde, maar met het aangezicht naar den kring gekeerd, meestal in een gesloten drom, en van tijd tot tijd, allen tegelijk het hoofd en bovenlijf nederbuigende. Gedurende dezen dans maakten de oorlogsfluiten, de trommen, tamboerijns en chichikoués een leven dat hooren en zien vergingen.

Het gansche tooneel bood intusschen een belangrijk en hoogst eigenaardig schouwspel.

Die koperkleurige menschen met hunne bonte kostumen, hun gezang en de muziek van trommels en pijpen, daarbij het gewoel en veelsoortig gedruisch der opgewonden toeschouwers, die juichten en in de handen klapten, onder de onbeschrijfelijkste grimassen en gebaren, te midden van een Indiaansch dorp, met het somber en geheimzinnig reuzenwoud aan de eene, en eenige passen verder aan de andere zijde de statige Rio-Gila, in de onmetelijke woestijn, waar de ongerepte natuur nog allerwegen het onbezoedelde stempel der goddelijke almacht vertoonde, dit alles samengenomen, moest de ziel van den ernstigen aanschouwer treffen en onwillekeurig in zwaarmoedige gedachten doen wegzinken.

De dans had reeds een geruimen tijd geduurd en zou zeker nog lang zijn voortgezet, zoo hij niet op eene noodlottige wijze ware gestoord.

Op eens klonk boven al het gedruisch der feestvierenden uit,

Sluiten