Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweging die hij reeds bij zijne komst in het kamp had opgemerkt, in plaats van te verminderen, steeds toenam, kon hij niet nalaten aan het opperhoofd te vragen wat hiervan de reden was en wat dit alles beteekenen moest.

De Zwarte-Kat haastte zich hem te voldoen en vertelde hem de geheimzinnige vlucht van dona Clara, die met hare kameraden verdwenen was, zonder dat men met mogelijkheid konde gissen waarheen.

Sedert den vroegen morgen waren de ervarenste krijgslieden van den stam reeds aan 't zoeken geweest, zonder iets te kunnen ontdekken.

De Roode-Ceder kon nauwelijks gelooven dat het meisje, door hem in zijn kamp achtergelaten, werkelijk hetzelfde was dat de Apachen met zooveel ernst zochten; hij dacht eenige minuten na.

„Hoeveel blanken waren er wel?" vroeg hij.

„Drie," was het antwoord.

„Hadden zij niemand anders bij zich?" vervolgde hij.

„Ja," hernam het opperhoofd met gefronste wenkbrauwen en van woede fonkelende oogen, „er waren nog twee andere krijgslieden bij, Roodhuiden, vooral een lafhartigen Coras, renegaat en verrader van zijn volk."

„Zeer goed," mompelde de Roode-Ceder; „mijn broeder brenge mij naar de opperhoofden, opdat ik hun zegge waar de gevangenen zijn."

„Weet mijn broeder dit dan?" vroeg de Zwarte-Kat met drift.

De Roode-Ceder wierp zijn geweer op schouder, floot tusschen de tanden, maar antwoordde niet.

Weldra kwamen zij aan de raadshut. De Roode-Ceder nam de geheele zaak voor zijne rekening en belastte zich met het beantwoorden der vragen die de Indianen hem doen zouden.

Sedert het vertrek van de Zwarte-Kat was er in den raad geen woord gesproken.

Aan zich zeiven overgelaten, wachtten de overige leden geduldig op de vervulling der beloften die het opperhoofd hen gedaan had.

Zoodra deze binnenkwam, nam hij zijne vorige plaats bij het vuur weder in en richtte het woord tot de andere Sachems:

„Hier zijn de blanke jagers," zeide hij

„Achsets-ohta (zeer goed)," antwoordde een oud krijgsman, „laat hen spreken, de hoofden zullen hen hooren."

De Roode-Ceder trad onmiddellijk voorwaarts en op zijn karabijn geleund, nam hij op een wenk van de Zwarte-Kat het woord :

„Mijne roode broeders, begon hij met eene heldere, krachtvolle stem, „zijn evenzeer als wij, de gedurige aanvallen moede van dien coyote, die tot geen kleur of natie behoort, en dien wij allen kennen als den Zoon des Bloeds. Zoo zij zich willen laten leiden door de ondervinding van iemand, die sedert vele jaren de listen en streken van dien ge vreesden man heeft leeren doorgronden, dan zullen zij, hoe groot ook de macht moge zijn over welke hij te beschikken heeft, hem weldra met schande uit de prairie verdrijven en hem noodza-

Sluiten