Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken om zich over de grenzen terug te trekken en onze rijke jachtgronden te verlaten, waar hij thans als meester zoekt te heerschen."

„Wij verwachten dat onze broeder de jager zich duidelijker en zonder omwegen verklare," viel de Zwarte-Kat hem in de rede.

„Daar ben ik juist gereed toe," hernam de Squatter; „de gevangenen die gij hadt moeten bewaken, waren voor ons van zeer groot belang, omdat zich onder hen eene blanke vrouw bevond; gij hebt hen laten ontsnappen, maar gij moet hen tot iederen prijs weder machtig zien te worden, want zij zullen voor u onschatbare gijzelaars zijn."

„Mijn broeder moest ons eerst zeggen waarheen die gevangenen gevlucht zijn."

De Roode-Ceder haalde minachtend de schouders op.

„Dat laat zich gemakkelijk begrijpen," zeide hij; „de gevangenen hadden eer zij de grenzen konden bereiken geen andere toevlucht dan eene enkele plaats."

„En die plaats is?" vroeg de Zwarte-Kat.

„Die plaats is het groote zomerdorp der berg-Comanchen, de trouwste bondgenooten van den Zoon des Bloeds, met andere woorden, de kinderen van den Eenhoorn, een volk dat het geloof zijner vaderen heeft verloochend om zich geheel afhankelijk van de blanken te stellen, en aan welke ik u raden zou om vrouwenrokken te zenden. Zoek dus uwe gevangenen nergens elders, zij zijn daar, zeg ik u."

De Indianen door de juistheid dezer redeneering getroffen, gaven de ondubbelzinnigste teekenen van goedkeuring, en maakten zich met gespannen aandacht gereed om te hooren wat de RoodeCeder hun verder te zeggen had.

„Mijne broeders, moeten dus twee zaken volbrengen," vervolgde de Squatter: „vooreerst, het dorp der Comanchen overrompelen; ten tweede, onverwijld tegen den Zoon des Bloeds te velde trekken.

„Goed," zei Stanapat, „mijn broeder is een wijs man; ik ken hem sedert lang, zijne raadgevingen zijn goed; maar de téocali die de Zoon des Bloeds bewoont is zeer sterk en met weinig volk te verdedigen. Hoe zal mijn broeder doen om zich van haar meester te maken?"

„Dat mijn broeder luistere," hervatte de Roode-Ceder. „Ik heb hier tien dappere jagers medegebracht, maar ik heb nog tachtig anderen, allen met goede buksen gewapend, op een eiland in den „stroom zonder einde" gelaten, waar zij kampeeren en op mijne terugkomst wachten. Het detachement dat bestemd is om de téocali aan te tasten zal haar van alle zijden omsingelen, zonder dat de krijgslieden zich laten zien; intusschen verzei ik de Zwarte-Kat en zijn stam naar het dorp der Comanchen. Zoodra de gevangenen weder in onze handen zijn, ga ik naar het eiland waar ik mijne jongelieden gelaten heb, om gezamenlijk met hen en de Zwarte-Kat terug te

Sluiten