Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Comanch schudde ontkennend het hoofd.

„Het zijn Apachen," zeide hij met nadruk; „het is thans niet het seizoen der groote jacht, omstreeks dezen tijd van het jaar worden de dieren niet door de menschen verontrust, dat weten zij zeer goed, zij ontwijken hen dus zonder wanhopig te vluchten, daar zij thans zeker zijn van niet vervolgd te zullen worden. De woudloopers gaan meest alleen, of slechts met hun drieën of vieren tegelijk, en gebruiken gepaste voorzorgen om het wild niet noodeloos te verschrikken. Maar de Apachen zijn domme honden, en hebben veel van de razende coyotes; zij vereenigen zich steeds in talrijke troepen, en, in plaats van als brave mannen of krijgslieden rustig voort te trekken, stuiven zij door de prairie als een stormwind en verbranden, verwoesten of verdelgen alles wat hun in den weg komt.'

,,'t Is waar, hoofdman," zei de onbekende, „uwe wijsheid heeft u niet bedrogen, het kunnen hier alleen Apachen zijn."

„Goed; maar wat zal mijn broeder doen?" vroeg de Comanch.

De oogen van den onbekende fonkelden woest.

„Wii zullen hen bevechten!" zeide hij.

De Indiaan bewoog even de schouders.

„Neen!" zeide hij stellig, „dat deugt niets; op dit oogenblik moeten wij niet vechten."

„Spreek gij dan, voor den duivel!" riep de onbekende ongeduldig, „en zeg hoe gij er over denkt."

De Indiaan glimlachte.

„Mijn broeder is driftig," zeide hij.

De onbekende, beschaamd over de drift door welke hij zich had laten vervoeren, had zijne koelbloedigheid reeds teruggekregen.

„Vergeef mij, hoofdman," antwoordde hij, „ik heb ongelijk." En hij stak den Eenhoorn zijne hand toe, die deze hartelijk schudde.

„Mijn broeder is wijs," antwoordde^de Sachem, „ik weet, dat hij geen vriend zal willen beleedigen."

„Spreek, hoofdman, de tijd gaat om, ontvouw mij uw plan. ^

„Achter gindschen heuvel ligt het dorp van den Eenhoorn, " zei het opperhoofd; „de krijgslieden moeten hier blijven, terwijl hij alleen vooruitgaat om te zien wat er gebeurt."

„Goed; mijn broeder kan gaan, wij zullen wachten; in de woestijn, vooral bij onraad, komen geen lange overwegingen te pas, de oogenblikken zijn er te kostbaar om in ijdele woorden te verspillen.

De Indiaan gaf zijn paard de sporen en reed weg.

Weldra was hij zijne vrienden uit het gezicht.

„Wat dunkt gij van hetgeen ons de Sachem gezegd heeft?

vroeg de generaal.

„Het is ernstig genoeg," antwoordde de onbekende. „De Indianen zijn zeer gevat om te weten wat er in de woestijn omgaat; daarvoor schijnen zij een bijzonder instinct te bezitten, dat hen nooit bedriegt. Deze bier, is een der schrander sten die ik ken. Ik weet slechts twee mannen in de wereld die in staat zijn om zich met hem te meten.

Sluiten