Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

namelijk die afschuwelijke schurk de Roode-Ceder, en Valentin de Fransche jager, dien de Indianen zelf den Gids der Prairiën hebben genoemd."

„Ha!" riep don Miguel; „gij zijt dus van gevoelen dat "

„Dat wij den uitslag van het onderzoek moeten afwachten waarmede de Eenhoorn op dit oogenblik onledig is; zijn dorp ligt nauwlijks een uur ver van ons af."

„Maar waarom blijven wij dan nog hier."

Geen Indiaan zal ooit zijn dorp intrekken, zonder zich vooraf te verzekeren dat alles in orde is; hoe zou hij van tevoren weten wat er gedurende zijne afwezigheid is voorgevallen?"

„Dat is waar; wachten wij dan," hernam de haciendero met een gesmoorden zucht.

„Laten wij wachten," mompelde de generaal.

Zoo verliep er bijna een uur. Al de partijgangers zaten fier in den zadel, met de hand aan het slot van hun geweer of karabijn, met wakend oog en gespitste ooren, onbeweeglijk als waren zij bronzen standbeelden.

Inmiddels was de zon reeds in een zee van purperen dampen ondergegaan; de schaduw daalde snel van den hemel en spreidde zich van lieverlede als een dicht lijkkleed over het aardrijk, reeds begonnen de sterren de een na den ander te fonkelen aan het donkerblauw gewelf.

Nog was de Eenhoorn niet terug.

De jagers wisselden geen woord; innig overtuigd dat hunne positie zeer ernstig was, zaten allen in diepe gedachten verzonken.

Geen geluid stoorde de doodsche stilte der prairie, of het moest nu en dan het verre gekef der coyotes zijn geweest, dat zich vermengde met het heesche geloei der conguars en der panters, of het dof geklots van de wateren der Rio-Gila op de keien en rotsklompen aan hare oevers.

Plotseling scheen de onbekende, wiens blik onafgewend naar het punt gericht was, waar hij den Comanch had zien verdwijnen, als door een electrieken schok getroffen en fluisterde hij don Miguel deze drie woorden in 't oor:

„Daar komt hij!"

Werkelijk klonk de galop van een paard in de verte, het naderde snel, en de Comanch verscheen.

„Wel?" riep de onbekende hem toe.

„Koutonepi en de bleeke maagd zijn in het dorp," zeide hij, „de jager heeft haar gered."

„Ha!" riep don Miguel, „God zij geloofd!"

De Eeuhoorn zag hem aan met een treurigen blik.

„De Apachen vervolgen ben," zeide hij, „op dit oogenblik wordt het dorp aangevallen, maar onze vrienden weren zich dapper."

„IJlen wij hun ter hulp!" riepen de Mexicanen.

De Zoon des JBloeds wendde zich tot hen:

Sluiten