Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zichten, wel eens hooren zeggen dat hun God almachtig en bovenal barmhartig is, is het eene wel ?"

„Onthoud dit, hoofdman," viel Yalentin hem met drift in de rede, „het is in naam van vader Seraphin, dien gij schijnt te kennen, dat ik u het leven red."

De Apache begon te glimlachen.

„Ja, ja 1" riep hij, „dit waren zijne woorden: vergeld kwaad metgoed."

„Onthoud wel deze goddelijke voorschriften die ik heden ten uwen aanzien in praktijk breng," riep Valentin levendig, „zij zijn het die u in het lijden zullen staande houden."

De Indiaan schudde het hoofd.

„Neen," zeide hij, „de woestijn heeft hare onveranderlijke wetten; de Roodhuiden zijn van een anderen aard als de Bleekgezichten; hunne wet is een wet des bloeds, zij kunnen die niet veranderen. Hunne wet zegt ,,oog om oog, tand om tanddezen grondregel hebben zij van hunne vaderen geërfd, zij zijn genoodzaakt om er zich aan te onderwerpen en hem te volgen; maar de Roodhuiden vergeten nimmer eene weldaad, zoo min als eene beleediging. De Zwarte-Kat heeft een vast geheugen."

Er volgden eenige minuten stilte, gedurende welke de beide mannen elkander aandachtig aankeken.

Eindelijk nam de Apache weder het woord:

„Mijn broeder geve mij zijne drinkflesch nog eens," zeide hij.

De jager gaf hem die.

De Indiaan zette haar aan zijne lippen, dronk er een mondvol uit en gaf haar aan Yalentin terug. Toen naar den jager bukkende, legde hij hem de beide handen op de schouders en kuste hem op de lippen, terwijl hij een gedeelte van den drank, uit zijn mond, in dien van den Franscbman liet vloeien.

In de prairiën van het Verre Westen is deze geheimzinnige ceremonie, in buitengewone gevallen, veel in gebruik en het grootste bewijs van trouw en gehechtheid dat men elkander geven kan.

Wanneer twee vrienden zich op deze wijs hebben omarmd, zijn zij voortaan saamverbonden tot den dood, en verplicht onder alle omstandigheden elkander te helpen, zonder immer te aarzelen.

Valentin wist dit, daarom verzette hij zich, ondanks zijn afkeer van deze vreemdsoortige manier van eedzweren, niet tegen de daad van den Indiaan; integendeel verheugde zij hem, daar hij de groote voordeelen berekende die zulk eene onverbreekbare verbintenis met een der machtigste Sachems der Apachen, hem in 't vervolg zou verschaffen en wier verbond met den RoodeCeder hij daardoor hoopte te zullen verbreken.

„Wij zijn broeders," zeide de Zwarte-Kat met eene ernstige stem. „Voortaan zal, bij nacht zoowel als bij dag en in welken hoek der woestijn de groote jager der blanken zich ook bevinden mag, een vriend voor hem waken."

„Goed, wij zijn broeders," antwoordde de jager, „de Zwarte-Kat

De Roovers der Prairiën. 11

Sluiten