Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen zij bleeker zijn dan de mijne en zullen uwe oogen, door koorts verhit, geen tranen meer hebben om te weenen."

Zij boog zich over het meisje heen, luisterde aandachtig of zij wel geregeld adem haalde, en na zich verzekerd te hebben dat Ellen gerust liep, trad zij behoedzaam naar den uitgang der hut, hief het gordijn op en keek naar buiten; alles was duister, kalm en stil; hierdoor gerustgesteld, stapte zij over het lichaam van Curumilla heen, die dwars voor de deur der hut lag te slapen, en verwijderde zich met snellen tred, maar zoo zacht, dat het scherpste gehoor geen het minste gedruisch zou hebben bespeurd.

De Indiaansche krijgsman had zich vrijwillig ten taak gesteld om de twee vrouwen te bewaken.

Zoodra de scalpdans geëindigd was, had hij zijn post voor de hut uit eigen beweging weder betrokken; en ondanks de aanmerking van Valentin en don Pablo, dat de vrouwen veilig waren en hij daar dus niet behoefde te blijven, had hij zich niet van zijn besluit laten afbrengen.

Zonder zich aan de waarschuwing zijner vrienden te storen of hun zelfs een woord te antwoorden, had hij zijn bisonsmantel afgedaan, hem op den grond uitgespreid en er zich op nedergelegd, na Valentin en don Pablo met een korten maar nadrukkelijken groet goeden nacht te hebben gewenscht.

Toen Valentin en don Pablo zagen dat het den Araucaan met zijn voornemen ernst was, hadden zij wijselijk partij gekozen en zich met een halfvoldaan schouderophalen verwijderd.

Curumilla sliep echter niet.

Geen van de bewegingen der jonge Spaansche was hem ontgaan, en nauwelijks was zij tien passen ver van de calli of hij sloop haar voorzichtig na en hield haar scherp in 't oog.

Waarom deed hij dit? Hij wist het zelf niet.

Een heimelijk voorgevoel dreef hem aan om de Gazelle te volgen, ten einde te weten om welke reden zij, in plaats van te slapen, nog zoo laat het kamp in ging, waar zij krijgsgevangen was, en bijgevolg zich blootstelde om bij iederen stap een vijand te ontmoeten, die haar zonder omslag zou hebben doodgeschoten.

De reden om zulk een gevaar te trotseeren moest wel sterk zijn, en daarom had de Indiaan geen rust voor dat hij wist wat er van was.

Het meisje had moeite om het verwarde doolhof van tenten en hutten door te komen, zonder zich ieder oogenblik hier of daar te stooten.

De nacht was donker; de maan, achter dikke wolken verscholen, vertoonde slechts bij tusschenpoozen hare bleeke schijf en aan den hemel blonk geen enkele ster.

Van tijd tot tijd bleef de nachtwandelaarster staan, met opgeheven hoofd, om naar een verdacht geluid te hooren, of keerde schielijk terug, zich steeds in denzelfden omtrek bewegende, als wilde zij zich niet ver van de hut verwijderen waar Ellen sliep.

Curumilla begreep spoedig dat zij naar een of andere tent zocht, die zekeren persoon bevatten moest welken zij verlangde te spreken.

Sluiten