Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekerd dat zijn uitstapje niet langer dan drie of vier dagen duren zou.

In de woestijn, vooral in het Verre Westen, bestaan er geen gebaande wegen; de reizigers zijn meestal verplicht om er zich met de bijl in de hand een pad te banen.

De gambusinos wisten dit bij ondervinding; ook verwonderden zij zich niet, toen zij den Squatter niet op den door hem bepaalden tijd zagen terugkomen.

Zij hadden er dus geduld mede, en daar het hun aan levensmiddelen begon te ontbreken, gingen zij aan weerszijden van de rivier op de jacht om hun voorraad te vernieuwen.

Maar de dagen gingen voorbij en de Roode-Ceder kwam niet terug; er verliep eene maand, en nog vernamen de gambusinos taal noch teeken dat hij spoedig verschijnen zou.

Na deze eerste maand verliepen er nog veertien dagen zonder dat er in den toestand der gelukzoekers eenige verandering kwam.

Allengs begon de troep moedeloos te worden; weldra liepen er, zonder dat men wist van waar of hoe, allerlei onheilspellende geruchten, die hoe langs zoo meer geloof vonden en eindelijk als volkomen zeker werden beschouwd, onder anderen, dat de Squatter in eene hinderlaag door de Roodhuiden was omgebracht, en dat het derhalve nutteloos zou zijn om langer op hem te wachten.

Al deze geruchten, daar Fray Ambrosio aanvankelijk weinig gewicht aan hechtte, werden spoedig zoo sterk en dringend, dat hij er zich tegen wil en dank mede moest inlaten om ze uit de wereld te helpen; dit was echter moeielijk, om niet te zeggen onmogelijk. Fray Ambrosio wist evenmin als de anderen, iets zekers van den Roode-Ceder te zeggen; daarbij was zijne vrees ten minste even groot als die zijner metgezellen, en wat hij ook doen ofwenschen mocht, was hij gedwongen te verklaren dat hij hun geen antwoord kon geven, en dat hij aangaande het lot van hunne gemeenschappelijken chef geheel onkundig was.

Op zekeren morgen hadden de gambusinos, in plaats van op de jacht te gaan, zooals zij dagelijks deden, zich in massa voor de takkenhut, die tot hoofdkwartier voor den monnik en de twee Squatterszonen moest dienen, verzameld, en beduidden hen, op eene tamelijk oproerige manier, dat zij nu lang genoeg op den Roode-Ceder gewacht hadden; dat hij sinds twee maanden niets van zich had laten hooren en dus stellig dood was; dat bijgevolg hunne onderneming als mislukt moest worden beschouwd, en dat zij, geen lust gevoelende om t'avond of morgen in handen der Roodhuiden te vallen, besloten hadden onmiddellijk naar Santa-Fé terug te keeren.

Fray Ambrosio had goed praten, zooals men zegt; hij mocht hun voorhouden, dat, al ware de Roode-Ceder dood, hetgeen nog niet bewezen was, en al zou hij dit als een groot ongeluk beschouwen, daarom echter de onderneming niet behoefde te worden opgegeven, daar hij alleen wist waar de goudmijn gelegen was, en dat hij zich sterk maakte er hen stellig te brengen.

Sluiten