Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De prairie die zich langs de rivier uitstrekte, begon zich langzaam opgolvend te verheffen ia de richting der bergen, en was met groote blokken geelbruine zandsteen in verschillende op elkander gestapelde lagen bedekt.

Verder af, in den ganschen omtrek, verhief zich een zonderling verbrokkelde keten van lichtgrijze of grijsbruine bergen, die hunne hooge, kale kruinen in allerlei buitengewone en soms wonderbare gedaanten opstaken, hier en daar geschakeerd met donkergroene plekken van dennenbosch en ander naaldenhout.

De Rio-Gila, die hier vrij smal is, baande zich met moeite een weg tusschen de steilste klippen van leisteen, arduin en mica, terwijl de naakte en doodsche natuur alleen aan de oevers der rivier door enkele populieren, beuken en het groen der lagere struiken verlevendigd werd.

Aan den rechteroever zag men een zoogenaamd dorp van 'prairiehonden.

Deze aardige kleine dieren, die volstrekt niet schuw of wild zijn, stonden op de platte terpen hunner holen de voorbijtrekkende karavaan aan te kijken, kwispelden met den staart, en lieten hun scherp gejank of geschreeuw hooren, dat niet meer naar blaffen gelijkt; daarop verdwenen zij en kropen weder in hunne holen.

De reizigers naderden thans een onmetelijk woud, welks sombere voorposten zich bijna tot aan den oever der rivier uitstrekten, en dat zij na een marsch van twee uren bereikten.

Toen men aan de eerste boomen kwam, maakte de karavaan eenige oogenblikken halt om de laatste noodzakelijke maatregelen te beramen, eer men de sombere bladgewelven binnen trok, onder welke de dorpelingen zich gedurende eenige maanden zouden verschuilen.

Alvorens de Eenhoorn op weg ging om den Roode-Ceder te vervolgen, wilde hij eerst zijn stam in het winterdorp in veiligheid zien. Hij zou dus de blanke jagers hier achterlaten, maar eer hij van hen scheidde, liet hij nog eene verkenning in de omstreken doen, om zich te verzekeren of er ook vijanden schuilden; maar de verkenning leverde niets op, er was geen spoor van onraad te ontdekken, de Apachen schenen bepaaldelijk iederen aanslag opgegeven en het terrein voor goed verlaten te hebben.

Het zou voor hen ook eene onvergeeflijke dwaasheid geweest zijn om de Comanchen te willen aantasten, die twee- of driemaal sterker waren dan zij, en bovendien, trotsch op hunne jongste overwinning, niet ongaarne nog eens aan den slag zouden zijn geraakt om hunnen vijand de rest te geven.

Er kwam echter niets van in, de prairie was aan alle zijden kalm en veilig.

„Mijn broeder kan zijn weg gerust vervolgen," zeide de Eenhoorn tegen Valentin, „de Apachen-honden zijn gevlucht als antilopen."

„O! wij vreezen hen niet," antwoordde de jager minachtend.

„Eer de achtste zon opgaat, ziet mijn broeder mij weder," hervatte de Sachem.

Sluiten